Overzicht van de voorafgaande beslissingen
In dit overzicht bespreken we vier voorafgaande beslissingen die Vlabel in juli 2026 publiceerde over successie- en vermogensplanning. Vlabel is de Vlaamse Belastingdienst en VCF is de Vlaamse Codex Fiscaliteit. We vatten deze publicaties hieronder samen aan de hand van de volgende thema’s:
1. Maatschappen. Een onrechtstreekse schenking door inbreng in een maatschap zonder toekenning van aandelen, de toepassing van de antimisbruikbepaling en de gevolgen van een winstreservatie.
2. Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen. Optionele verblijvings- en toekenningsbedingen en hun behandeling in de erfbelasting, de schenkbelasting en de registratiebelasting.
1. Maatschappen
VB 26015: Oprichting van een maatschap, gevolgd door een bijkomende inbreng zonder toekenning van aandelen
Feiten
Mevrouw X en haar zus bezitten elk 4.631 van de 9.262 aandelen van de naamloze vennootschap A (ondernemingsnummer geanonimiseerd) in volle eigendom (rn. 6). Mevrouw X wil samen met haar twee kinderen Y en Z een maatschap B oprichten, waarin zij liquide middelen inbrengen. De aanvrager verwerft voor een geldelijke inbreng van 10,00 EUR 10 aandelen categorie A in volle eigendom van de maatschap. De kinderen verwerven elk voor een geldelijke inbreng van 495,00 EUR 495 aandelen categorie B in volle eigendom van de maatschap (rn. 8).
Daarna brengt mevrouw X in een bijzondere algemene vergadering van de maatschap haar 4.631 aandelen A in, zonder dat haar daarvoor nieuwe aandelen worden toegekend. De aanvrager kwalificeert dit als een onrechtstreekse schenking aan de kinderen van 99% van de inbreng, dus 49,5% per kind, via de bijkomende inbreng zonder uitgifte van nieuwe aandelen (rn. 14). Van de schenking wordt een onderhands bewijsdocument (pacte adjoint) opgemaakt.
Volgens de aanvraag geven de aandelen categorie A recht op de jaarlijks uitgekeerde winst, terwijl de aandelen categorie B geen recht geven op uitgekeerde winsten. Er geldt een reserve van minstens 25%, waarvan beide categorieën genieten in verhouding tot hun aandelenbezit (rn. 9 en 10).
Volgens de aanvrager is haar zus aangewezen als opvolgend zaakvoerder (rn. 37). Artikel 15.2.1 van de statuten bepaalt dat de moeder als zaakvoerder onherroepelijk en voor de duur van de maatschap is benoemd. De maatschap heeft een duur van dertig jaar, zodat de benoeming voor dertig jaar geldt (rn. 101).
Vraag
Wordt de voorgenomen onrechtstreekse, niet-geregistreerde schenking door de inbreng in de maatschap, en de latere winstreservatie, bij het overlijden van de schenker aan erfbelasting onderworpen, onder meer via de fictiebepalingen van de VCF? Vormt de verrichting fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?
Beslissing
Vlabel oordeelt dat de verrichting fiscaal misbruik uitmaakt. Bij overlijden van de moeder-schenker wordt artikel 3.17.0.0.2 VCF toegepast wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF. De verrichting wordt dan gelijkgesteld met de verrichting beoogd in dat artikel, waardoor zij als legaat wordt beschouwd (rn. 104).
Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF stelt schenkingen van roerende goederen onder een opschortende voorwaarde of termijn die door het overlijden van de schenker wordt vervuld, gelijk met een legaat. Vlabel toetst de verrichting via de algemene antimisbruikbepaling aan de doelstelling van een werkelijke en beschikbare overdracht aan de jongere generatie (rn. 99 tot 104).
Artikel 3.17.0.0.2 VCF is de algemene antimisbruikbepaling. Een rechtshandeling of geheel van rechtshandelingen kan niet aan Vlabel worden tegengeworpen wanneer Vlabel met vermoedens of andere bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat sprake is van fiscaal misbruik. Dat is onder meer het geval wanneer de belastingplichtige zich door zijn rechtshandeling, in strijd met de doelstellingen van een bepaling van de VCF, buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst. De belastingplichtige kan tegenbewijs leveren door aan te tonen dat de keuze door andere motieven dan het ontwijken van belasting is verantwoord. Lukt dat niet, dan wordt de verrichting belast alsof het misbruik niet had plaatsgevonden (rn. 30).
Bij de toepassing op deze verrichting betrekt Vlabel dat de moeder een quasi totaal en levenslang controlevoorbehoud behoudt. De maatschap heeft een duur van dertig jaar, terwijl de moeder 62 jaar is. Zij beheert en beschikt exclusief, en de kinderen zijn niet bij het beheer of de beschikking betrokken.
Artikel 2.7.1.0.5 VCF is een fictiebepaling. Goederen waarover de erflater kosteloos beschikte tijdens een termijn van vijf of zeven jaar voor zijn overlijden, worden geacht tot zijn nalatenschap te behoren, tenzij de bevoordeling aan schenkbelasting of aan het registratierecht op schenkingen onder de levenden is onderworpen.
Voor zover door de voorgenomen verrichting een geldige schenking door mevrouw X aan de twee kinderen tot stand komt, valt die schenking voor het aandeel van de kinderen in de maatschap onder het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.5 VCF. Overlijdt mevrouw X binnen de termijn van dat artikel, dan wordt de begiftigde geacht het voorwerp van de schenking als legaat te hebben verkregen, tenzij het bewijsdocument voorafgaand aan het overlijden van de schenker ter registratie werd aangeboden (rn. 105).
De winstreservatie valt volgens Vlabel niet onder artikel 2.7.1.0.5 VCF. Standpunt 20067 is daarop niet toepasselijk, omdat geen sprake is van een gesplitste inschrijving (rn. 115).
De aanvragers stellen dat de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §2 VCF niet van toepassing zijn wegens het ontbreken van registratie en van registratieplicht van onrechtstreekse onderhandse schenkingen. Vlabel antwoordt dat de registratieplicht een bevoegdheid van de federale overheid is, geregeld in artikel 19 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, en dat Vlabel daarover geen uitspraak kan doen. Ook de antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF laat enkel toetsing aan de bepalingen van de VCF toe (rn. 112).
De beslissing heeft alleen betrekking op de erfbelasting en de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen (rn. 116).
Gevolg
Bij het overlijden van de moeder wordt de voorgelegde verrichting voor de erfbelasting behandeld als een legaat. Vlabel stelt dat artikel 2.7.1.0.3,3e lid VCF van toepassing is wegens het ‘verregaande controlebehoud’ van de schenker.
2. Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen
VB 26014: Vervanging van een finaal verrekenbeding door een optioneel verblijvings- en toekenningsbeding
Feiten
De echtgenoten X (geboren in 1951) en Y (geboren in 1952) hebben geen kinderen (rn. 7 en 8). Zij huwden in 1976 onder het stelsel van scheiding van goederen. Hun huwelijksovereenkomst werd in 1990 en in 2007 gewijzigd, telkens met behoud van dat stelsel (rn. 1 en 2). In 2007 werd een optioneel finaal verrekenbeding van de aanwinsten toegevoegd, met uitsluiting van de tussen de echtgenoten geschonken goederen en van de gezinswoning (rn. 54).
Zij willen dat beding vervangen door twee optionele bedingen. Het verblijvingsbeding betreft alle onverdeelde goederen. Het toekenningsbeding betreft de in de huwelijksovereenkomst omschreven eigen goederen, waaronder het familievermogen, namelijk de goederen of categorieën van goederen waarvan één echtgenoot bij overlijden exclusief eigenaar is (rn. 15). Beide bedingen slaan zowel op aanwinsten als op niet-aanwinsten (rn. 68).
Volgens de aanvragers is hun vermogen minstens gedeeltelijk familievermogen, dat gedeeltelijk uit schenkingen van hun ouders afkomstig is. Het oude verrekenbeding bood geen verrekening van eigen vermogen. Als motieven geven zij autonomie, de bescherming van de langstlevende zonder overleg met de schoonfamilie, en een zakenrechtelijke aanspraak in plaats van een louter vorderingsrecht.
Vraag
Zijn de opname en de uitwerking van het optionele verblijvings- en toekenningsbeding bij overlijden onderworpen aan erfbelasting? Vormt de vervanging van het finaal verrekenbeding fiscaal misbruik?
Beslissing
Vlabel beslist dat de optionele bedingen niet onder de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4 en 2.7.1.0.5 VCF vallen en dat artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF niet wordt toegepast. De vervanging vormt volgens Vlabel geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF (rn. 69). Dit geldt in de mate dat de bedingen burgerrechtelijk als geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren.
Vlabel spreekt zich niet uit over die burgerrechtelijke kwalificatie. Het wijst erop dat de rechtsleer verschillende opvattingen kent over het begrip huwelijksvoordeel bij scheiding van goederen. De aanvragers volgen de opvatting dat zowel verblijvings- als toekenningsbedingen geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking zijn (rn. 66). Is dat correct, dan werkt die kwalificatie door in het fiscaal recht. De verkrijging door de langstlevende is dan geen erfrechtelijke verkrijging, maar een verkrijging op grond van een overeenkomst onder bezwarende titel.
Artikel 2.7.1.0.4 VCF stelt de langstlevende gelijk met een erfgenaam of legataris wanneer hij meer dan de helft van de gemeenschap krijgt toegekend. Volgens de aanvragers hebben de bedingen geen betrekking op een gemeenschap (rn. 61 en 62). Artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF weigert als passief van de nalatenschap schulden die voortkomen uit een beding over de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel. Omdat de bedingen geen schuld doen ontstaan, maar de langstlevende een rechtstreekse zakenrechtelijke aanspraak geven, wordt dat artikel niet toegepast (rn. 65 en 66). Bij het antimisbruik oordeelt Vlabel op basis van de concrete feitenconstellatie en de motivering in de aanvraag (rn. 69).
Gevolg
Voor de echtgenoten betekent de beslissing dat de overgang van onverdeelde goederen en van de omschreven eigen goederen naar de langstlevende volgens Vlabel niet als erfrechtelijke verkrijging wordt belast. Dit geldt alleen als de bedingen burgerrechtelijk als geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking worden aanvaard, en die toets valt buiten de beslissing.
VB 26035: Toevoeging van optionele verblijvings- en toekenningsbedingen aan een bestaande huwelijksovereenkomst
Feiten
De echtgenoten X (geboren in 1942, Duits) en Y (geboren in 1941, Belgisch) wonen sinds meer dan vijf jaar in Vlaanderen (rn. 2). Zij huwden in 1971 onder het wettelijk stelsel naar Duits recht. De bron omschrijft dat stelsel als scheiding van goederen met een finaal verrekenbeding betreffende de aanwinsten (rn. 3). In 2017 sloten zij eerst een Belgische huwelijksovereenkomst met scheiding van goederen en een finaal verrekenbeding. In een tweede akte van 2017, bij dezelfde notaris, werd dat verrekenbeding geschrapt.
De echtgenoten hebben twee gemeenschappelijke dochters, geboren in 1974 en 1979, en geen kinderen die niet gemeenschappelijk zijn. Zij bezitten roerende en onroerende goederen in onverdeeldheid, in gelijke delen. Daarnaast heeft ieder eigen roerende goederen.
Zij willen twee optionele bedingen toevoegen. Het verblijvingsbeding (artikel 8) betreft alle onverdeelde goederen. Het toekenningsbeding (artikel 9) betreft eigen goederen van de eerststervende. De langstlevende kan binnen vier maanden schriftelijk kiezen, bij notariële of onderhandse akte die bij de notaris wordt neergelegd. De verkrijger draagt de overeenstemmende schulden.
Volgens de aanvraag lijken de kinderen onvoldoende in staat om het vermogen te beheren. De echtgenoten willen hen daarmee niet belasten. Zij wijzen erop dat zij in een zorgvolmacht van 2023 de kinderen bewust niet als opvolgende lasthebbers hebben aangesteld.
Vraag
Wat zijn de fiscale gevolgen van de optionele verkrijging van onverdeelde goederen (artikel 8) en van eigen goederen (artikel 9)? Vormt de keuze voor deze bedingen fiscaal misbruik?
Beslissing
Vlabel beslist dat op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen geen erfbelasting en geen registratiebelasting verschuldigd is. Op de toebedeling van onroerende goederen is verdeelrecht verschuldigd op grond van artikel 2.10.1.0.1 VCF, indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid. Op de toekenning van de onroerende goederen aan de echtgenoot-verkrijger is verkooprecht van toepassing op grond van artikel 2.9.1.0.1 VCF (rn. 35). Dit geldt in de mate dat de bedingen burgerrechtelijk als geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren. Een huwelijksvoordeel is een overeenkomst onder bezwarende titel binnen het huwelijksvermogensrecht en geen schenking of erfrechtelijke verkrijging. Daarom zijn de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3° en 2.7.1.0.5 VCF en de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF niet van toepassing (rn. 21 tot 33).
Artikel 2.7.1.0.4 VCF is niet van toepassing, voor zover het verblijvingsbeding uitsluitend onverdeelde goederen betreft en het toekenningsbeding niet-onverdeelde eigen goederen, en er geen gemeenschap is (rn. 28 en 29). Dat artikel stelt de langstlevende die meer dan de helft van een gemeenschap toegekend krijgt, gelijk met een erfgenaam of legataris. Omdat geen gemeenschap bestaat, kan het niet van toepassing zijn. Vlabel besluit dat geen sprake is van fiscaal misbruik (rn. 41).
De beslissing heeft alleen betrekking op erfbelasting en registratiebelasting (rn. 42). Zij spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke geldigheid van de bedingen.
Gevolg
Voor de echtgenoten betekent dit dat de uitwerking van beide bedingen volgens Vlabel geen erfbelasting meebrengt. Bij roerende goederen is ook geen registratiebelasting verschuldigd. Bij onroerende goederen is wel registratiebelasting verschuldigd: verdeelrecht op de toebedeling, onder de voorwaarde van dezelfde titel in de onverdeeldheid, en verkooprecht op de toekenning aan de echtgenoot-verkrijger. Deze behandeling veronderstelt dat de bedingen burgerrechtelijk kwalificeren als geldige huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking.
VB 25151: Wijziging van het wettelijk stelsel naar scheiding van goederen met een wederzijds optioneel toekenningsbeding
Feiten
De echtgenoten X (geboren in 1988) en Y (geboren in 1991) huwden in 2021 zonder huwelijksovereenkomst en dus onder het wettelijk stelsel. Zij hebben een zoon, geboren in 2023 (rn. 7 tot 9). Zij willen overstappen naar scheiding van goederen en tegelijk een wederzijds optioneel toekenningsbeding opnemen voor bepaalde eigen goederen, met zaakvervanging. Dat beding dient in hoofdzaak voor de ontbinding van het huwelijk door overlijden en heeft een beperkte uitwerking bij echtscheiding.
Het eigen vermogen van de heer X bestaat hoofdzakelijk uit aandelen in de BV B en de NV C. Via B houdt hij bijkomend aandelen C aan. Het eigen vermogen van mevrouw Y bestaat hoofdzakelijk uit aandelen D. Het gemeenschappelijk vermogen bestaat hoofdzakelijk uit 2% van de gezinswoning, de inboedel en een spaarrekening (rn. 10 tot 12). De ondernemingen zijn voor het huwelijk opgericht. C is in 2025 naar de beurs gegaan. Voor rechtstreeks gehouden aandelen C geldt een lock-up van 18 maanden, voor via E gehouden aandelen C een lock-up van drie jaar (rn. 14 tot 24).
Als motieven geven de aanvragers onder meer: autonome beschikking en herbelegging, bescherming tegen schuldeisers, en het willen vermijden dat hun minderjarige zoon een groot vermogen erft. Zij wijzen er ook op dat het toekenningsbeding goederen betreft die reeds eigen zijn en dus los staat van de stelselwijziging.
Vraag
Brengen de sluiting en de uitwerking van het toekenningsbeding bij overlijden of echtscheiding erfbelasting of schenkbelasting mee? Is er sprake van fiscaal misbruik?
Beslissing
Vlabel beslist dat het toekenningsbeding niet onder de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4, 2.7.1.0.5, 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin en 2.8.1.0.1 VCF valt. Gelet op de concrete motieven van de aanvragers is er geen fiscaal misbruik (rn. 99). Dit geldt in de mate dat het beding burgerrechtelijk een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is.
Een huwelijksvoordeel wordt algemeen aanvaard als overeenkomst onder bezwarende titel (rn. 79). Vlabel spreekt zich niet uit over de burgerrechtelijke kwalificatie. Als het beding een geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking is, wordt de toekenning fiscaal niet behandeld als erfrechtelijke verkrijging, maar als verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden en onder bezwarende titel (rn. 80 en 81). Artikel 2.7.1.0.4 VCF wordt niet toegepast omdat het beding volgens de aanvragers geen betrekking heeft op een gemeenschap (rn. 86 en 87). Omdat het beding geen schuld doet ontstaan, maar een rechtstreekse zakenrechtelijke aanspraak geeft, speelt de passiefbeperking van artikel 2.7.3.4.1 VCF niet (rn. 90 en 91). Artikel 2.8.1.0.1 VCF belast akten die een schenking onder de levenden bewijzen. Omdat het beding burgerrechtelijk een huwelijksvoordeel ten bezwarende titel is, wordt dat artikel niet toegepast, ook niet bij echtscheiding (rn. 92 en 93).
Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen (rn. 100).
Gevolg
Het toekenningsbeding leidt volgens Vlabel niet tot erfbelasting of schenkbelasting op grond van de onderzochte bepalingen. Dit geldt onder het voorbehoud dat het beding burgerrechtelijk als geldig huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking wordt aanvaard. De beslissing is gebonden aan de voorgelegde feiten en aan de uitdrukkelijk onderzochte artikelen.
June, juli 2027