<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Fiscaal misbruik | June</title>
	<atom:link href="https://june.estate/tag/fiscaal-misbruik/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://june.estate</link>
	<description>Harmony in your family legacy</description>
	<lastBuildDate>Fri, 19 Jun 2026 07:20:51 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl-NL</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=7.0.2</generator>

<image>
	<url>https://june.estate/wp-content/uploads/2025/06/June_favicon-150x150.png</url>
	<title>Fiscaal misbruik | June</title>
	<link>https://june.estate</link>
	<width>32</width>
	<height>32</height>
</image> 
	<item>
		<title>Publicaties Vlabel &#8211; maart 2026 &#8211; toekennings- en verblijvingsbedingen &#8211; Deel 2</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-maart-2026-toekennings-en-verblijvingsbedingen/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 17 Jun 2026 03:26:48 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<category><![CDATA[Fiscaal misbruik]]></category>
		<category><![CDATA[Toekenningsbeding]]></category>
		<category><![CDATA[Verblijvingsbeding]]></category>
		<category><![CDATA[Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3253</guid>

					<description><![CDATA[In de maand maart 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst een reeks voorafgaande beslissingen die alle betrekking hebben op één en hetzelfde thema: de toevoeging of wijziging van toekennings- en verblijvingsbedingen binnen het stelsel van scheiding van goederen. We behandelen in dit overzicht acht beslissingen. Zeven daarvan zijn positief, één is negatief. In de negatieve beslissing [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand maart 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst een reeks voorafgaande beslissingen die alle betrekking hebben op één en hetzelfde thema: de toevoeging of wijziging van toekennings- en verblijvingsbedingen binnen het stelsel van scheiding van goederen. We behandelen in dit overzicht acht beslissingen. Zeven daarvan zijn positief, één is negatief. In de negatieve beslissing werd een finaal verrekenbeding vervangen door een toekennings- en verblijvingsbeding.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Besproken beslissingen:</p>



<ul class="wp-block-list">
<li>VB 25131 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25138 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG, beperkt tot aanwinsten) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25147 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (zuivere SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25150 — Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst SvG met optioneel verblijvings- en toekenningsbeding : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 26005 — Toevoeging optioneel toekenningsbeding (SvG met TIGV) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25142 — SvG met TIGV : toevoeging optioneel verblijvings- en toebedelingsbeding : geen fiscaal misbruik (met nuance inzake het TIGV)</li>



<li>VB 25153 — Vervanging Valkeniersbeding door optioneel toekenningsbeding (SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25128 — Vervanging finaal verrekenbeding door optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG) : fiscaal misbruik</li>
</ul>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25131 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen blijkens huwelijkscontract van 2013, tot op heden ongewijzigd. Zij hebben samen één minderjarig kind. Met behoud van het stelsel van scheiding van goederen wensen zij hun huwelijksovereenkomst aan te vullen met enerzijds een verblijvingsbeding met betrekking tot een welbepaald onverdeeld onroerend goed, en anderzijds een toekenningsbeding met betrekking tot verschillende eigen roerende en onroerende goederen. Beide bedingen worden optioneel geformuleerd, zodat zij slechts uitwerking krijgen indien en in de mate waarin de langstlevende echtgenoot zich erop beroept. Partijen voorzien tevens in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF, 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">In de mate dat de bedingen burgerrechtelijk als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, werkt deze kwalificatie door in het fiscaal recht. De verkrijging is dan een verkrijging ten bezwarende titel onder de levenden, zodat geen toepassing wordt gemaakt van de fictiebepalingen. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de wens de langstlevende verzorgd achter te laten via een niet-eenzijdig herroepbare regeling, de beperking tot aanwinsten en de uitsluiting van het inkortingsrisico) is er geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de toebedeling van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid; is de verkrijger een derde-verkrijger, dan is het verkooprecht van toepassing op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF. De beslissing heeft enkel betrekking op de erf- en registratiebelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25138 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvings- en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen (huwelijksovereenkomst van 2005). Zij hebben drie gemeenschappelijke kinderen. Beide echtgenoten zijn professioneel actief als zelfstandig bestuurder respectievelijk bestuurder in diverse vennootschappen. Zij wensen het stelsel te behouden, maar aan te vullen met een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor nader aangewezen eigen goederen. Het voorwerp van beide bedingen is uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten, met expliciete uitsluiting van de niet-aanwinsten en het familiaal verkregen vermogen. Mevrouw Y schonk in 2024 reeds een groot deel van haar familievermogen aan de kinderen. De akte voorziet in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn de optionele bedingen onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, en vormen zij — afzonderlijk of in combinatie — fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen burgerrechtelijk als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Het besluitvormingsorgaan merkt daarbij op dat het optioneel toekenningsbeding geen schuld doet ontstaan, maar aan de langstlevende een rechtstreekse en zakenrechtelijke aanspraak verleent, zodat ook artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF niet van toepassing is. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de beperking tot de aanwinsten, de maximale uitschakeling van het inkortingsrisico en de autonomie van beide professioneel actieve echtgenoten) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de onroerende goederen is het verkoop- of verdeelrecht verschuldigd (artikelen 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF).</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25147 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvings- en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen blijkens huwelijksovereenkomst van 1986, tot op heden ongewijzigd. Zij hebben vier gemeenschappelijke kinderen. De echtgenoten kozen destijds voor scheiding van goederen omwille van de professionele autonomie van de heer X en de bescherming tegen schuldeisers. Zij wensen het stelsel te behouden, maar aan te vullen met een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen (waaronder de gezinswoning) en een optioneel toekenningsbeding voor de aandelen in de besloten vennootschap Z, die exclusief eigendom zijn van de heer X. Om uitholling van de bescherming te vermijden, vereist iedere schenking van eigen goederen aan een derde de instemming van de andere echtgenoot. De akte voorziet in een passiefregeling.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn de optionele bedingen onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de professionele autonomie van de heer X, de bescherming tegen schuldeisers en de wens de langstlevende via een niet-eenzijdig herroepbare regeling te beschermen) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de toebedeling van de onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25150 — Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst scheiding van goederen met optioneel verblijvings- en toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X en mevrouw Y, beiden geboren in 1998, vormen een verloofd koppel met de intentie te huwen in 2026. Zij hebben geen kinderen, noch gemeenschappelijk, noch niet-gemeenschappelijk. Mevrouw Y bezit 100% van de aandelen van de besloten vennootschap Z, waarbinnen zij haar beroepsactiviteit uitoefent, alsook financiële tegoeden en een onroerend vermogen in blote eigendom dat zij van haar ouders geschonken kreeg. De partijen zullen na het huwelijk de gezinswoning in onverdeeldheid aankopen. In hun voorhuwelijkse overeenkomst (artikel 14) nemen zij een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor bepaalde eigen goederen op, waaronder de aandelen van BV Z. Mevrouw Y wenst zo de continuïteit van haar vennootschap te waarborgen. Partijen vragen, gelet op hun jonge leeftijd, een verlengde duurtijd tot aan de afhandeling van de nalatenschap van de eerstoverledene.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is artikel 14 van de huwelijksovereenkomst onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de professionele autonomie, de bescherming van de langstlevende, de continuïteit van de vennootschap en de niet-eenzijdige herroepbaarheid) is er geen fiscaal misbruik. Gelet op de jonge leeftijd van partijen wordt, in afwijking van artikel 3.22.0.0.1, §4, eerste lid VCF, een beslissing genomen die geldig blijft tot aan de afhandeling van de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling van de onverdeelde dan wel eigen roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Bij de toebedeling van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid; bij een derde-verkrijger is het verkooprecht van toepassing op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF. Concreet betekent dit dat op de helft van de waarde van de gezinswoning het verdeelrecht verschuldigd is in geval van verblijving aan de langstlevende.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 26005 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y zijn sinds 1996 gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, dat zij in 2017 aanvulden met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) waarin diverse onroerende goederen werden ingebracht, en in 2018 verder uitbreidden met de inbreng van de gezinswoning. Zij hebben twee gemeenschappelijke kinderen. Bij akte van 2025 voegden zij een optioneel toekenningsbeding toe met betrekking tot bepaalde categorieën eigen, niet-onverdeelde goederen, uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten. De vermogensopbouw van X is groter geweest, terwijl Y sterker bijdroeg in de gezinstaken. Het beding is optioneel en voorziet in een passiefregeling.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover het beding als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking kwalificeert, worden de fictiebepalingen niet toegepast, en evenmin artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF, nu het beding geen schuld doet ontstaan. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de beperking tot de aanwinsten, de reservebestendigheid gelet op de twee gemeenschappelijke kinderen, de ongelijke vermogensopbouw tijdens het huwelijk en de autonomie van beide echtgenoten) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toekenning van de eigen niet-onverdeelde goederen wordt geen erfbelasting geheven. Er wordt evenwel uitdrukkelijk genuanceerd dat artikel 2.7.1.0.4 VCF wél toepassing kan vinden indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld. De beslissing heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25142 — Wijziging huwelijksovereenkomst — SvG met TIGV — toevoeging optioneel verblijvings- en toebedelingsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een beperkt toegevoegd gemeenschappelijk vermogen, ingevolge huwelijkscontract van 2023. De heer X is geboren in 1990, mevrouw Y in 1980; uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren. Het toegevoegd gemeenschappelijk vermogen bevat thans één enkele bankrekening. De echtgenoten wensen enerzijds de samenstelling van dit vermogen te beperken en het gemeenschapsvermoeden te schrappen, en anderzijds een optioneel verblijvingsbeding voor alle onverdeelde goederen en een optioneel toebedelingsbeding voor alle exclusief eigen goederen toe te voegen, met uitsluiting van de eigen goederen verkregen door erfenis of schenking.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toebedelingsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen in beginsel niet toegepast. Het besluitvormingsorgaan oordeelt terecht dat artikel 2.7.1.0.4 VCF wél toepassing zal vinden bij toebedeling van meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot. Voor het overige, en voor zover de bedingen geen betrekking hebben op gemeenschapsgoederen, is er geen fiscaal misbruik. De wijziging van de samenstelling van het TIGV wijzigt overigens niets aan de feitelijke situatie, nu dit vermogen slechts één goed bevat.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de verblijving en toebedeling van de roerende goederen is geen registratiebelasting verschuldigd. Op de verblijving van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd; op de toebedeling van de eigen onroerende goederen is het verkooprecht van toepassing. Bij toebedeling van meer dan de helft van het TIGV is erfbelasting verschuldigd op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25153 — Wijziging huwelijksovereenkomst — vervanging Valkeniersbeding door optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1969) en mevrouw Y (geboren 1966) zijn sinds 2021 gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Zij hebben geen gemeenschappelijke kinderen; X heeft vier kinderen uit een vorig huwelijk, Y heeft er twee. X bouwde een vermogen op in zijn landbouwonderneming. De verstandhouding met de kinderen van X verloopt steeds moeizamer. Ter bescherming van Y wensen de echtgenoten het bestaande Valkeniersbeding (artikel 10 van het huwelijkscontract) te schrappen en te vervangen door een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot welomschreven eigen roerende goederen van X: de financiële tegoeden op twee bankrekeningen en twee onderhandse schuldvorderingen die X heeft op de kinderen van Y. Het beding werkt ongeacht of de gelden kwalificeren als aanwinsten dan wel als eigen goederen verkregen vóór of tijdens het huwelijk door erfenis of schenking. De akte voorziet in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking kwalificeert, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de bescherming en verzorging van Y, de gemoedsrust die een huwelijkscontractuele regeling biedt tegenover een eenzijdig herroepbaar testament, en het behoud door X van zijn beschikkingsrecht tijdens zijn leven) is er geen fiscaal misbruik. De aanwezigheid van niet-gemeenschappelijke kinderen verhindert deze uitkomst niet; wel zijn de plafonds van artikel 2.3.58 BW van toepassing, met mogelijke inkorting indien deze worden overschreden.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toekenning van de eigen roerende goederen is geen erf- noch schenkbelasting verschuldigd. De beslissing heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25128 — Wijziging huwelijksovereenkomst — vervanging finaal verrekenbeding door verblijvings- en toekenningsbedingen</h2>



<p class="wp-block-paragraph">Tegenover de zeven positieve beslissingen staat één negatieve.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y waren oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen (1970). Bij wijzigende overeenkomst van 2011 werd een finaal verrekenbeding voor de aanwinsten toegevoegd, dat in 2017 verder werd gemoduleerd. Bij akte van 2025 vervingen de echtgenoten dit optioneel finaal verrekenbeding (met mogelijkheid tot uitoefening van de verrekenvordering in natura) door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen van de aanwinsten. Zowel het oude als het nieuwe beding waren optioneel.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de vervanging van het bestaande optioneel finaal verrekenbeding door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, in het bijzonder gelet op artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik. Dat oordeel is niet vanzelfsprekend: eerder, in VB 25024 (april 2025), aanvaardde Vlabel een gelijkaardige vervanging van een finaal verrekenbeding door toekennings- en verblijvingsbedingen wél, omdat de niet-fiscale motieven er overtuigend waren en de zakelijke werking van de nieuwe bedingen een reëel voordeel bood ten opzichte van de louter verbintenisrechtelijke vordering van het verrekenbeding. In VB 25128 lag het anders. Vlabel stelde vast dat de nieuwe bedingen de facto dezelfde werking hadden als het vervangen verrekenbeding: in beide gevallen was een uitdrukkelijke keuze van de langstlevende vereist, moest de nettowaarde van de gekozen goederen met de erfgenamen worden overeengekomen, en werd bij gebrek aan akkoord een deskundige aangesteld. Bij het verrekenbeding had de langstlevende zelfs nog de bijkomende keuze om in waarde in plaats van in natura te ontvangen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De tweede zin van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF, ingevoegd bij het decreet van 8 december 2017, heeft als uitdrukkelijke doelstelling de overgang van vermogen aan de langstlevende echtgenoot via een finaal verrekenbeding aan erfbelasting te onderwerpen, door de verrekenschuld uit het passief van de nalatenschap te weren. Door het bestaande verrekenbeding te vervangen door zakenrechtelijke bedingen die de te verblijven of toe te kennen goederen het vermogen van de eerststervende doen verlaten, ontwijken de echtgenoten doelbewust deze belastbaarheid.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het aangevoerde niet-fiscale motief (de maximale uitschakeling van het inkortingsrisico) wordt niet aanvaard, omdat dit risico zowel voor het vervangen verrekenbeding als voor de nieuwe bedingen volledig gelijk is: beide gaan uit van de kwalificatie als huwelijksvoordeel en beide betreffen enkel aanwinsten. De vervanging plaatst de echtgenoten dus, in strijd met de doelstelling van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede zin VCF, buiten de toepassing van dat artikel, door bepalingen op te nemen die de facto dezelfde werking hebben.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden van een van de echtgenoten waarbij het verblijvings- of toekenningsbeding wordt ingeroepen, wordt met de overgang van goederen door verblijving of toekenning geen rekening gehouden. Ingevolge het fiscaal misbruik is de wijziging van het huwelijksstelsel niet tegenstelbaar in de mate dat zij de toepassing van de erfbelasting mogelijk maakt te ontwijken.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">June, 16 juni 2026.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
