<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Toekenningsbeding | June</title>
	<atom:link href="https://june.estate/tag/toekenningsbeding/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://june.estate</link>
	<description>Harmony in your family legacy</description>
	<lastBuildDate>Sat, 20 Jun 2026 14:16:04 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl-NL</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=7.0.2</generator>

<image>
	<url>https://june.estate/wp-content/uploads/2025/06/June_favicon-150x150.png</url>
	<title>Toekenningsbeding | June</title>
	<link>https://june.estate</link>
	<width>32</width>
	<height>32</height>
</image> 
	<item>
		<title>Publicaties Vlabel april</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-april/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 20 Jun 2026 14:16:02 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<category><![CDATA[maatschap]]></category>
		<category><![CDATA[successieplanning]]></category>
		<category><![CDATA[Toekenningsbeding]]></category>
		<category><![CDATA[Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3257</guid>

					<description><![CDATA[In de maand april 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst drie voorafgaande beslissingen en één bijgewerkt administratief standpunt op het vlak van successieplanning. VB 26006: Inbreng onroerend goed in vennootschap gevolgd door schenking van de aandelen via beding ten behoeve van een derde: fiscaal misbruik Feiten De echtgenoten X (°1943) en Y (°1948), woonachtig in het [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand april 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst drie voorafgaande beslissingen en één bijgewerkt administratief standpunt op het vlak van successieplanning.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>VB 26006: Inbreng onroerend goed in vennootschap gevolgd door schenking van de aandelen via beding ten behoeve van een derde: fiscaal misbruik</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Feiten</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (°1943) en Y (°1948), woonachtig in het Vlaamse gewest, wensen hun vermogen over te dragen aan hun twee dochters en twee kleinkinderen. Zij hadden reeds al hun aandelen in de besloten vennootschap E geschonken aan hun (klein)kinderen, die deze vervolgens inbrachten in de maatschap F. De maatschap F is de enige aandeelhouder van de vennootschap E. De aanvragers wensen nu een bedrijfsvastgoed, met een geschatte waarde van 2.340.000,00 EUR, in te brengen in de vennootschap E. Daarbij maken zij gebruik van de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde: de aandelen die als tegenprestatie voor de inbreng worden uitgegeven, komen rechtstreeks toe aan de maatschap F en dus onrechtstreeks aan de (klein)kinderen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Vraag</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is de inbreng vrij van verkooprecht overeenkomstig artikel 2.9.1.0.3 VCF? Zijn de schenkingen onderworpen aan het vlakke tarief van 3% voor roerende goederen (artikel 2.8.4.1.1, §2, 1° VCF) en niet aan het progressieve tarief voor onroerende goederen (artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF)? Maakt de verrichting fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Beslissing</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat de verrichting fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2, tweede lid VCF. De inbreng van het onroerend goed gepaard met de schenking van de in ruil verkregen aandelen via een beding ten behoeve van een derde gaat in tegen de progressiviteit van de schenkbelasting, zoals vervat in artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF. Door het onroerend goed in te brengen en de aandelen onrechtstreeks te schenken, genieten de begiftigden het gunstige vlakke tarief van 3% voor roerende goederen in plaats van het progressieve tarief voor onroerende goederen. Dat levert een aanzienlijke besparing op.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Doorslaggevend is dat het onroerend goed niet dienstig was voor de bedrijfsactiviteit van de vennootschap. Het goed wordt gebruikt voor de uitbating van een activiteit door derden, en de loutere coördinatie van de verhuur door de vennootschap toont niet aan dat het goed vereist is voor haar activiteit. Het is volgens Vlabel niet de bedoeling van de inbrengers om het onroerend goed aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) te onderwerpen, maar wel om een overdracht aan de (klein)kinderen te realiseren. De aangevoerde niet-fiscale motieven — het familiaal vermogen laten renderen, het beheer toevertrouwen aan de meest adequate personen, de familiebelangen en vennootschapsbelangen gescheiden houden, en de investeringslast bij de volgende generatie leggen — wegen niet op tegen de fiscale motieven. De wens om de investeringen door de volgende generatie te laten dragen vereist immers niet dat het onroerend goed in de vennootschap wordt ingebracht en de aandelen via een beding ten behoeve van een derde worden geschonken.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Gevolg</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De verrichting wordt als fiscaal misbruik aangemerkt. De beslissing heeft enkel betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>VB 25136: Toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding voor eigen goederen in het wettelijk stelsel: geen erfbelasting, geen fiscaal misbruik</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Feiten</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X en Y (beiden °1991), gehuwd in 2019 onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract, hebben drie zeer jonge kinderen (°2020, °2022 en °2024). Het eigen vermogen van de heer X bestaat uit een aanzienlijk ondernemings- en investeringsvermogen, met name vennootschapsaandelen, liquide middelen en beleggingen. De echtgenoten wensen aan hun huwelijksstelsel een optioneel eenzijdig toekenningsbeding toe te voegen met betrekking tot bepaalde eigen goederen van de heer X (twee beleggingsportefeuilles en zijn participatie in een besloten vennootschap). Bij vooroverlijden van de heer X kan mevrouw Y, indien zij dat verkiest, deze goederen geheel of gedeeltelijk in volle eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik verkrijgen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Vraag</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geeft de uitwerking van het toekenningsbeding bij vooroverlijden van de heer X aanleiding tot erfbelasting in hoofde van mevrouw Y op grond van de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4 of 2.7.1.0.5 VCF? Is er sprake van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Beslissing</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat geen erfbelasting verschuldigd is en dat er geen fiscaal misbruik voorligt. In de mate dat het eenzijdig optioneel toekenningsbeding van eigen goederen burgerrechtelijk kwalificeert als een huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, werkt deze kwalificatie door in het fiscaal recht. De toekenning wordt dan niet behandeld als een erfrechtelijke verkrijging, maar als een verkrijging onder bezwarende titel.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Artikel 2.7.1.0.2 VCF is niet van toepassing, omdat het voordeel niet uit de nalatenschap wordt verkregen maar huwelijksvermogensrechtelijk. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF is niet van toepassing, omdat een huwelijksvoordeel geen schenking is. Artikel 2.7.1.0.4 VCF is niet van toepassing, omdat het beding geen betrekking heeft op gemeenschapsgoederen. Artikel 2.7.1.0.5 VCF is niet van toepassing, omdat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is en geen kosteloze beschikking. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de aangevoerde niet-fiscale motieven — onder meer de bescherming van het eigen vermogen tegen verkrijging door de zeer jonge kinderen, de verzorging van de langstlevende en het autonomiebehoud van de heer X — maakt de verrichting geen fiscaal misbruik uit.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het besluitvormingsorgaan benadrukt dat het zich niet uitspreekt over de burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, noch over de rechtsgeldigheid van het beding. Indien bij overlijden zou blijken dat bepaalde goederen, zoals winstuitkeringen van eigen aandelen, zich in de gemeenschap van aanwinsten bevinden, gelden daarop de gewone heffingsregels van de VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Gevolg</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De toevoeging van het toekenningsbeding geeft geen aanleiding tot erfbelasting. De beslissing sluit aan bij de eerdere voorafgaande beslissing nr. 23024 van 13 juni 2023. Zij heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>VB 25144: Onrechtstreekse schenking door inbreng in een maatschap zonder uitgifte van aandelen: fiscaal misbruik voor de aandelen, niet voor de effectenportefeuille</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Feiten</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X en Y (beiden °1964), gehuwd in 1991 onder het wettelijk stelsel, hebben drie kinderen. Zij richten samen met hun kinderen de maatschap X-Y op, waarbij de aanvragers elk één aandeel verwerven en de kinderen elk 3.333 aandelen. Vervolgens wensen de aanvragers de volle eigendom van hun aandelen in A BV en van een effectenportefeuille in te brengen in de maatschap, zonder uitgifte van nieuwe aandelen. Door deze inbreng komt de vermogensaangroei ten goede aan de bestaande vennoten in verhouding tot hun aandelenbezit, wat volgens de aanvragers een onrechtstreekse schenking van 33,33% aan elk van de kinderen uitmaakt.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Een aandeelhoudersovereenkomst (SHA) met betrekking tot A BV stelt evenwel strikte voorwaarden aan een overdracht aan afstammelingen: de heer X moet de exclusieve controle over de aandelen behouden, hij moet de enige vertegenwoordiger tegenover A BV blijven, en de overdracht moet een beding van terugkeer bevatten. Daartoe wordt via een addendum bij de statuten voorzien dat de heer X als enige bestuurder alle bevoegdheden over de aandelen A BV uitoefent en over een vetorecht inzake statutenwijzigingen beschikt.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Vraag</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Worden de inbreng en de latere uitkeringen uit de maatschap onderworpen aan erfbelasting op grond van de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.5, 2.7.1.0.6, 2.7.1.0.7 of 2.7.1.0.9 VCF? Maken de verrichtingen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Beslissing</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De beslissing is gemengd en volgt een verschillende redenering naargelang het gaat om de aandelen A BV of de effectenportefeuille.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor de effectenportefeuille aanvaardt Vlabel de verrichting. Er is geen controlevoorbehoud dat de kinderen verhindert om over hun aandeel te beschikken. Het unanimiteitsvereiste in het bestuur waarbij alle bestuurders, aanvragers én kinderen, samen moeten beslissen, is een aanvaardbare maatschapstructuur. De overdracht kwalificeert daarmee als een werkelijke en beschikbare overdracht aan de jongere generatie. Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF vindt geen toepassing, noch rechtstreeks noch via de antimisbruikbepaling. Artikel 2.7.1.0.5 VCF blijft wel van toepassing indien een van de schenkers overlijdt binnen de termijn van vijf jaar na de onrechtstreekse schenking, tenzij het pacte adjoint voordien ter registratie wordt aangeboden. De artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.6, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF zijn niet van toepassing.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor de aandelen A BV oordeelt Vlabel dat de verrichting fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF. Die fictiebepaling beoogt te vermijden dat een schenker de overdracht van roerende goederen de facto uitstelt tot zijn overlijden en zo toch het gunstige schenkingstarief geniet terwijl de begiftigde het vermogen niet onmiddellijk kan activeren. Door het quasi-totale en levenslange controlevoorbehoud in hoofde van de heer X, opgelegd door de SHA, kunnen de kinderen de aandelen A BV tijdens het leven van de heer X niet zelf beschikken of in het economisch circuit brengen. Dat is precies de situatie die artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF beoogt te verhinderen. Het controlevoorbehoud werd weliswaar opgenomen om aan de vereisten van de SHA te voldoen, maar een door de partijen zelf in het leven geroepen ongeschiktheid om werkelijk te schenken, kan niet als niet-fiscaal motief worden aanvaard.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Gevolg</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden van de heer X wordt de inbreng van de aandelen A BV met toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF gelijkgesteld met een legaat in de zin van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, met erfbelasting als gevolg. De inbreng van de effectenportefeuille blijft onaangetast. De beslissing bevestigt de lijn dat een gedeeld bestuur waarbij de kinderen mee moeten beslissen aanvaardbaar is, terwijl een exclusief controlevoorbehoud in hoofde van de schenker alleen dat niet is. Zij heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>SP 21041: Vriendenerfenis bij meerdere begunstigden – overgangsregel voor oudere testamenten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Feiten</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel werkte zijn standpunt over de verdeling van de vriendenerfenis (artikel 2.7.5.0.6 VCF) bij meerdere begunstigden bij. De vriendenerfenis voorziet in een vermindering van erfbelasting voor een door de erflater aangeduide persoon.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Vraag</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Hoe wordt de vermindering verdeeld bij meerdere begunstigden, en welke ruimte laat een testamentaire verdelingsbepaling?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Beslissing</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Als algemene regel geldt een pro rata verdeling volgens de persoonlijke nettoverkrijging in verhouding tot de gezamenlijke nettoverkrijging van alle begunstigden. Voor testamenten gedagtekend vóór 1 januari 2026 wordt een andersluidende testamentaire bepaling over de verdeling echter gevolgd, op voorwaarde dat die bepaling duidelijk is. Toegelaten verdelingswijzen zijn een breukdeel (bijvoorbeeld A voor 3/4 en B voor 1/4), een percentage (bijvoorbeeld X voor 60% en Y voor 40%) of een nominaal bedrag tot maximaal 15.000 euro (bijvoorbeeld een nicht voor 10.000 euro en een neef voor 5.000 euro). In geen enkel geval levert de vermindering een grond voor teruggave op.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Gevolg</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor testamenten vanaf 1 januari 2026 geldt uitsluitend de pro rata verdeling volgens nettoverkrijging. Wie nog over een ouder testament met een afwijkende verdelingssleutel beschikt en die wenst te behouden, doet er goed aan na te gaan of de bepaling voldoende duidelijk is geformuleerd.</p>



<p class="wp-block-paragraph">June, 17 juni 2026</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Publicaties Vlabel &#8211; maart 2026 &#8211; toekennings- en verblijvingsbedingen &#8211; Deel 2</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-maart-2026-toekennings-en-verblijvingsbedingen/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 17 Jun 2026 03:26:48 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<category><![CDATA[Fiscaal misbruik]]></category>
		<category><![CDATA[Toekenningsbeding]]></category>
		<category><![CDATA[Verblijvingsbeding]]></category>
		<category><![CDATA[Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3253</guid>

					<description><![CDATA[In de maand maart 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst een reeks voorafgaande beslissingen die alle betrekking hebben op één en hetzelfde thema: de toevoeging of wijziging van toekennings- en verblijvingsbedingen binnen het stelsel van scheiding van goederen. We behandelen in dit overzicht acht beslissingen. Zeven daarvan zijn positief, één is negatief. In de negatieve beslissing [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand maart 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst een reeks voorafgaande beslissingen die alle betrekking hebben op één en hetzelfde thema: de toevoeging of wijziging van toekennings- en verblijvingsbedingen binnen het stelsel van scheiding van goederen. We behandelen in dit overzicht acht beslissingen. Zeven daarvan zijn positief, één is negatief. In de negatieve beslissing werd een finaal verrekenbeding vervangen door een toekennings- en verblijvingsbeding.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Besproken beslissingen:</p>



<ul class="wp-block-list">
<li>VB 25131 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25138 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG, beperkt tot aanwinsten) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25147 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (zuivere SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25150 — Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst SvG met optioneel verblijvings- en toekenningsbeding : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 26005 — Toevoeging optioneel toekenningsbeding (SvG met TIGV) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25142 — SvG met TIGV : toevoeging optioneel verblijvings- en toebedelingsbeding : geen fiscaal misbruik (met nuance inzake het TIGV)</li>



<li>VB 25153 — Vervanging Valkeniersbeding door optioneel toekenningsbeding (SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25128 — Vervanging finaal verrekenbeding door optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG) : fiscaal misbruik</li>
</ul>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25131 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen blijkens huwelijkscontract van 2013, tot op heden ongewijzigd. Zij hebben samen één minderjarig kind. Met behoud van het stelsel van scheiding van goederen wensen zij hun huwelijksovereenkomst aan te vullen met enerzijds een verblijvingsbeding met betrekking tot een welbepaald onverdeeld onroerend goed, en anderzijds een toekenningsbeding met betrekking tot verschillende eigen roerende en onroerende goederen. Beide bedingen worden optioneel geformuleerd, zodat zij slechts uitwerking krijgen indien en in de mate waarin de langstlevende echtgenoot zich erop beroept. Partijen voorzien tevens in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF, 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">In de mate dat de bedingen burgerrechtelijk als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, werkt deze kwalificatie door in het fiscaal recht. De verkrijging is dan een verkrijging ten bezwarende titel onder de levenden, zodat geen toepassing wordt gemaakt van de fictiebepalingen. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de wens de langstlevende verzorgd achter te laten via een niet-eenzijdig herroepbare regeling, de beperking tot aanwinsten en de uitsluiting van het inkortingsrisico) is er geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de toebedeling van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid; is de verkrijger een derde-verkrijger, dan is het verkooprecht van toepassing op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF. De beslissing heeft enkel betrekking op de erf- en registratiebelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25138 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvings- en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen (huwelijksovereenkomst van 2005). Zij hebben drie gemeenschappelijke kinderen. Beide echtgenoten zijn professioneel actief als zelfstandig bestuurder respectievelijk bestuurder in diverse vennootschappen. Zij wensen het stelsel te behouden, maar aan te vullen met een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor nader aangewezen eigen goederen. Het voorwerp van beide bedingen is uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten, met expliciete uitsluiting van de niet-aanwinsten en het familiaal verkregen vermogen. Mevrouw Y schonk in 2024 reeds een groot deel van haar familievermogen aan de kinderen. De akte voorziet in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn de optionele bedingen onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, en vormen zij — afzonderlijk of in combinatie — fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen burgerrechtelijk als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Het besluitvormingsorgaan merkt daarbij op dat het optioneel toekenningsbeding geen schuld doet ontstaan, maar aan de langstlevende een rechtstreekse en zakenrechtelijke aanspraak verleent, zodat ook artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF niet van toepassing is. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de beperking tot de aanwinsten, de maximale uitschakeling van het inkortingsrisico en de autonomie van beide professioneel actieve echtgenoten) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de onroerende goederen is het verkoop- of verdeelrecht verschuldigd (artikelen 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF).</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25147 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvings- en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen blijkens huwelijksovereenkomst van 1986, tot op heden ongewijzigd. Zij hebben vier gemeenschappelijke kinderen. De echtgenoten kozen destijds voor scheiding van goederen omwille van de professionele autonomie van de heer X en de bescherming tegen schuldeisers. Zij wensen het stelsel te behouden, maar aan te vullen met een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen (waaronder de gezinswoning) en een optioneel toekenningsbeding voor de aandelen in de besloten vennootschap Z, die exclusief eigendom zijn van de heer X. Om uitholling van de bescherming te vermijden, vereist iedere schenking van eigen goederen aan een derde de instemming van de andere echtgenoot. De akte voorziet in een passiefregeling.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn de optionele bedingen onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de professionele autonomie van de heer X, de bescherming tegen schuldeisers en de wens de langstlevende via een niet-eenzijdig herroepbare regeling te beschermen) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de toebedeling van de onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25150 — Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst scheiding van goederen met optioneel verblijvings- en toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X en mevrouw Y, beiden geboren in 1998, vormen een verloofd koppel met de intentie te huwen in 2026. Zij hebben geen kinderen, noch gemeenschappelijk, noch niet-gemeenschappelijk. Mevrouw Y bezit 100% van de aandelen van de besloten vennootschap Z, waarbinnen zij haar beroepsactiviteit uitoefent, alsook financiële tegoeden en een onroerend vermogen in blote eigendom dat zij van haar ouders geschonken kreeg. De partijen zullen na het huwelijk de gezinswoning in onverdeeldheid aankopen. In hun voorhuwelijkse overeenkomst (artikel 14) nemen zij een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor bepaalde eigen goederen op, waaronder de aandelen van BV Z. Mevrouw Y wenst zo de continuïteit van haar vennootschap te waarborgen. Partijen vragen, gelet op hun jonge leeftijd, een verlengde duurtijd tot aan de afhandeling van de nalatenschap van de eerstoverledene.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is artikel 14 van de huwelijksovereenkomst onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de professionele autonomie, de bescherming van de langstlevende, de continuïteit van de vennootschap en de niet-eenzijdige herroepbaarheid) is er geen fiscaal misbruik. Gelet op de jonge leeftijd van partijen wordt, in afwijking van artikel 3.22.0.0.1, §4, eerste lid VCF, een beslissing genomen die geldig blijft tot aan de afhandeling van de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling van de onverdeelde dan wel eigen roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Bij de toebedeling van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid; bij een derde-verkrijger is het verkooprecht van toepassing op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF. Concreet betekent dit dat op de helft van de waarde van de gezinswoning het verdeelrecht verschuldigd is in geval van verblijving aan de langstlevende.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 26005 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y zijn sinds 1996 gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, dat zij in 2017 aanvulden met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) waarin diverse onroerende goederen werden ingebracht, en in 2018 verder uitbreidden met de inbreng van de gezinswoning. Zij hebben twee gemeenschappelijke kinderen. Bij akte van 2025 voegden zij een optioneel toekenningsbeding toe met betrekking tot bepaalde categorieën eigen, niet-onverdeelde goederen, uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten. De vermogensopbouw van X is groter geweest, terwijl Y sterker bijdroeg in de gezinstaken. Het beding is optioneel en voorziet in een passiefregeling.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover het beding als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking kwalificeert, worden de fictiebepalingen niet toegepast, en evenmin artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF, nu het beding geen schuld doet ontstaan. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de beperking tot de aanwinsten, de reservebestendigheid gelet op de twee gemeenschappelijke kinderen, de ongelijke vermogensopbouw tijdens het huwelijk en de autonomie van beide echtgenoten) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toekenning van de eigen niet-onverdeelde goederen wordt geen erfbelasting geheven. Er wordt evenwel uitdrukkelijk genuanceerd dat artikel 2.7.1.0.4 VCF wél toepassing kan vinden indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld. De beslissing heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25142 — Wijziging huwelijksovereenkomst — SvG met TIGV — toevoeging optioneel verblijvings- en toebedelingsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een beperkt toegevoegd gemeenschappelijk vermogen, ingevolge huwelijkscontract van 2023. De heer X is geboren in 1990, mevrouw Y in 1980; uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren. Het toegevoegd gemeenschappelijk vermogen bevat thans één enkele bankrekening. De echtgenoten wensen enerzijds de samenstelling van dit vermogen te beperken en het gemeenschapsvermoeden te schrappen, en anderzijds een optioneel verblijvingsbeding voor alle onverdeelde goederen en een optioneel toebedelingsbeding voor alle exclusief eigen goederen toe te voegen, met uitsluiting van de eigen goederen verkregen door erfenis of schenking.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toebedelingsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen in beginsel niet toegepast. Het besluitvormingsorgaan oordeelt terecht dat artikel 2.7.1.0.4 VCF wél toepassing zal vinden bij toebedeling van meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot. Voor het overige, en voor zover de bedingen geen betrekking hebben op gemeenschapsgoederen, is er geen fiscaal misbruik. De wijziging van de samenstelling van het TIGV wijzigt overigens niets aan de feitelijke situatie, nu dit vermogen slechts één goed bevat.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de verblijving en toebedeling van de roerende goederen is geen registratiebelasting verschuldigd. Op de verblijving van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd; op de toebedeling van de eigen onroerende goederen is het verkooprecht van toepassing. Bij toebedeling van meer dan de helft van het TIGV is erfbelasting verschuldigd op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25153 — Wijziging huwelijksovereenkomst — vervanging Valkeniersbeding door optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1969) en mevrouw Y (geboren 1966) zijn sinds 2021 gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Zij hebben geen gemeenschappelijke kinderen; X heeft vier kinderen uit een vorig huwelijk, Y heeft er twee. X bouwde een vermogen op in zijn landbouwonderneming. De verstandhouding met de kinderen van X verloopt steeds moeizamer. Ter bescherming van Y wensen de echtgenoten het bestaande Valkeniersbeding (artikel 10 van het huwelijkscontract) te schrappen en te vervangen door een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot welomschreven eigen roerende goederen van X: de financiële tegoeden op twee bankrekeningen en twee onderhandse schuldvorderingen die X heeft op de kinderen van Y. Het beding werkt ongeacht of de gelden kwalificeren als aanwinsten dan wel als eigen goederen verkregen vóór of tijdens het huwelijk door erfenis of schenking. De akte voorziet in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking kwalificeert, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de bescherming en verzorging van Y, de gemoedsrust die een huwelijkscontractuele regeling biedt tegenover een eenzijdig herroepbaar testament, en het behoud door X van zijn beschikkingsrecht tijdens zijn leven) is er geen fiscaal misbruik. De aanwezigheid van niet-gemeenschappelijke kinderen verhindert deze uitkomst niet; wel zijn de plafonds van artikel 2.3.58 BW van toepassing, met mogelijke inkorting indien deze worden overschreden.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toekenning van de eigen roerende goederen is geen erf- noch schenkbelasting verschuldigd. De beslissing heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25128 — Wijziging huwelijksovereenkomst — vervanging finaal verrekenbeding door verblijvings- en toekenningsbedingen</h2>



<p class="wp-block-paragraph">Tegenover de zeven positieve beslissingen staat één negatieve.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y waren oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen (1970). Bij wijzigende overeenkomst van 2011 werd een finaal verrekenbeding voor de aanwinsten toegevoegd, dat in 2017 verder werd gemoduleerd. Bij akte van 2025 vervingen de echtgenoten dit optioneel finaal verrekenbeding (met mogelijkheid tot uitoefening van de verrekenvordering in natura) door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen van de aanwinsten. Zowel het oude als het nieuwe beding waren optioneel.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de vervanging van het bestaande optioneel finaal verrekenbeding door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, in het bijzonder gelet op artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik. Dat oordeel is niet vanzelfsprekend: eerder, in VB 25024 (april 2025), aanvaardde Vlabel een gelijkaardige vervanging van een finaal verrekenbeding door toekennings- en verblijvingsbedingen wél, omdat de niet-fiscale motieven er overtuigend waren en de zakelijke werking van de nieuwe bedingen een reëel voordeel bood ten opzichte van de louter verbintenisrechtelijke vordering van het verrekenbeding. In VB 25128 lag het anders. Vlabel stelde vast dat de nieuwe bedingen de facto dezelfde werking hadden als het vervangen verrekenbeding: in beide gevallen was een uitdrukkelijke keuze van de langstlevende vereist, moest de nettowaarde van de gekozen goederen met de erfgenamen worden overeengekomen, en werd bij gebrek aan akkoord een deskundige aangesteld. Bij het verrekenbeding had de langstlevende zelfs nog de bijkomende keuze om in waarde in plaats van in natura te ontvangen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De tweede zin van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF, ingevoegd bij het decreet van 8 december 2017, heeft als uitdrukkelijke doelstelling de overgang van vermogen aan de langstlevende echtgenoot via een finaal verrekenbeding aan erfbelasting te onderwerpen, door de verrekenschuld uit het passief van de nalatenschap te weren. Door het bestaande verrekenbeding te vervangen door zakenrechtelijke bedingen die de te verblijven of toe te kennen goederen het vermogen van de eerststervende doen verlaten, ontwijken de echtgenoten doelbewust deze belastbaarheid.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het aangevoerde niet-fiscale motief (de maximale uitschakeling van het inkortingsrisico) wordt niet aanvaard, omdat dit risico zowel voor het vervangen verrekenbeding als voor de nieuwe bedingen volledig gelijk is: beide gaan uit van de kwalificatie als huwelijksvoordeel en beide betreffen enkel aanwinsten. De vervanging plaatst de echtgenoten dus, in strijd met de doelstelling van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede zin VCF, buiten de toepassing van dat artikel, door bepalingen op te nemen die de facto dezelfde werking hebben.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden van een van de echtgenoten waarbij het verblijvings- of toekenningsbeding wordt ingeroepen, wordt met de overgang van goederen door verblijving of toekenning geen rekening gehouden. Ingevolge het fiscaal misbruik is de wijziging van het huwelijksstelsel niet tegenstelbaar in de mate dat zij de toepassing van de erfbelasting mogelijk maakt te ontwijken.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">June, 16 juni 2026.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
