<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>June</title>
	<atom:link href="https://june.estate/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://june.estate</link>
	<description>Harmony in your family legacy</description>
	<lastBuildDate>Sat, 20 Jun 2026 14:16:04 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl-NL</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=7.0.2</generator>

<image>
	<url>https://june.estate/wp-content/uploads/2025/06/June_favicon-150x150.png</url>
	<title>June</title>
	<link>https://june.estate</link>
	<width>32</width>
	<height>32</height>
</image> 
	<item>
		<title>Publicaties Vlabel april</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-april/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 20 Jun 2026 14:16:02 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<category><![CDATA[maatschap]]></category>
		<category><![CDATA[successieplanning]]></category>
		<category><![CDATA[Toekenningsbeding]]></category>
		<category><![CDATA[Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3257</guid>

					<description><![CDATA[In de maand april 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst drie voorafgaande beslissingen en één bijgewerkt administratief standpunt op het vlak van successieplanning. VB 26006: Inbreng onroerend goed in vennootschap gevolgd door schenking van de aandelen via beding ten behoeve van een derde: fiscaal misbruik Feiten De echtgenoten X (°1943) en Y (°1948), woonachtig in het [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand april 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst drie voorafgaande beslissingen en één bijgewerkt administratief standpunt op het vlak van successieplanning.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>VB 26006: Inbreng onroerend goed in vennootschap gevolgd door schenking van de aandelen via beding ten behoeve van een derde: fiscaal misbruik</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Feiten</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (°1943) en Y (°1948), woonachtig in het Vlaamse gewest, wensen hun vermogen over te dragen aan hun twee dochters en twee kleinkinderen. Zij hadden reeds al hun aandelen in de besloten vennootschap E geschonken aan hun (klein)kinderen, die deze vervolgens inbrachten in de maatschap F. De maatschap F is de enige aandeelhouder van de vennootschap E. De aanvragers wensen nu een bedrijfsvastgoed, met een geschatte waarde van 2.340.000,00 EUR, in te brengen in de vennootschap E. Daarbij maken zij gebruik van de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde: de aandelen die als tegenprestatie voor de inbreng worden uitgegeven, komen rechtstreeks toe aan de maatschap F en dus onrechtstreeks aan de (klein)kinderen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Vraag</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is de inbreng vrij van verkooprecht overeenkomstig artikel 2.9.1.0.3 VCF? Zijn de schenkingen onderworpen aan het vlakke tarief van 3% voor roerende goederen (artikel 2.8.4.1.1, §2, 1° VCF) en niet aan het progressieve tarief voor onroerende goederen (artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF)? Maakt de verrichting fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Beslissing</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat de verrichting fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2, tweede lid VCF. De inbreng van het onroerend goed gepaard met de schenking van de in ruil verkregen aandelen via een beding ten behoeve van een derde gaat in tegen de progressiviteit van de schenkbelasting, zoals vervat in artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF. Door het onroerend goed in te brengen en de aandelen onrechtstreeks te schenken, genieten de begiftigden het gunstige vlakke tarief van 3% voor roerende goederen in plaats van het progressieve tarief voor onroerende goederen. Dat levert een aanzienlijke besparing op.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Doorslaggevend is dat het onroerend goed niet dienstig was voor de bedrijfsactiviteit van de vennootschap. Het goed wordt gebruikt voor de uitbating van een activiteit door derden, en de loutere coördinatie van de verhuur door de vennootschap toont niet aan dat het goed vereist is voor haar activiteit. Het is volgens Vlabel niet de bedoeling van de inbrengers om het onroerend goed aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) te onderwerpen, maar wel om een overdracht aan de (klein)kinderen te realiseren. De aangevoerde niet-fiscale motieven — het familiaal vermogen laten renderen, het beheer toevertrouwen aan de meest adequate personen, de familiebelangen en vennootschapsbelangen gescheiden houden, en de investeringslast bij de volgende generatie leggen — wegen niet op tegen de fiscale motieven. De wens om de investeringen door de volgende generatie te laten dragen vereist immers niet dat het onroerend goed in de vennootschap wordt ingebracht en de aandelen via een beding ten behoeve van een derde worden geschonken.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Gevolg</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De verrichting wordt als fiscaal misbruik aangemerkt. De beslissing heeft enkel betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>VB 25136: Toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding voor eigen goederen in het wettelijk stelsel: geen erfbelasting, geen fiscaal misbruik</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Feiten</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X en Y (beiden °1991), gehuwd in 2019 onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract, hebben drie zeer jonge kinderen (°2020, °2022 en °2024). Het eigen vermogen van de heer X bestaat uit een aanzienlijk ondernemings- en investeringsvermogen, met name vennootschapsaandelen, liquide middelen en beleggingen. De echtgenoten wensen aan hun huwelijksstelsel een optioneel eenzijdig toekenningsbeding toe te voegen met betrekking tot bepaalde eigen goederen van de heer X (twee beleggingsportefeuilles en zijn participatie in een besloten vennootschap). Bij vooroverlijden van de heer X kan mevrouw Y, indien zij dat verkiest, deze goederen geheel of gedeeltelijk in volle eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik verkrijgen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Vraag</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geeft de uitwerking van het toekenningsbeding bij vooroverlijden van de heer X aanleiding tot erfbelasting in hoofde van mevrouw Y op grond van de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4 of 2.7.1.0.5 VCF? Is er sprake van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Beslissing</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat geen erfbelasting verschuldigd is en dat er geen fiscaal misbruik voorligt. In de mate dat het eenzijdig optioneel toekenningsbeding van eigen goederen burgerrechtelijk kwalificeert als een huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, werkt deze kwalificatie door in het fiscaal recht. De toekenning wordt dan niet behandeld als een erfrechtelijke verkrijging, maar als een verkrijging onder bezwarende titel.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Artikel 2.7.1.0.2 VCF is niet van toepassing, omdat het voordeel niet uit de nalatenschap wordt verkregen maar huwelijksvermogensrechtelijk. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF is niet van toepassing, omdat een huwelijksvoordeel geen schenking is. Artikel 2.7.1.0.4 VCF is niet van toepassing, omdat het beding geen betrekking heeft op gemeenschapsgoederen. Artikel 2.7.1.0.5 VCF is niet van toepassing, omdat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is en geen kosteloze beschikking. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de aangevoerde niet-fiscale motieven — onder meer de bescherming van het eigen vermogen tegen verkrijging door de zeer jonge kinderen, de verzorging van de langstlevende en het autonomiebehoud van de heer X — maakt de verrichting geen fiscaal misbruik uit.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het besluitvormingsorgaan benadrukt dat het zich niet uitspreekt over de burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, noch over de rechtsgeldigheid van het beding. Indien bij overlijden zou blijken dat bepaalde goederen, zoals winstuitkeringen van eigen aandelen, zich in de gemeenschap van aanwinsten bevinden, gelden daarop de gewone heffingsregels van de VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Gevolg</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De toevoeging van het toekenningsbeding geeft geen aanleiding tot erfbelasting. De beslissing sluit aan bij de eerdere voorafgaande beslissing nr. 23024 van 13 juni 2023. Zij heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>VB 25144: Onrechtstreekse schenking door inbreng in een maatschap zonder uitgifte van aandelen: fiscaal misbruik voor de aandelen, niet voor de effectenportefeuille</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Feiten</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X en Y (beiden °1964), gehuwd in 1991 onder het wettelijk stelsel, hebben drie kinderen. Zij richten samen met hun kinderen de maatschap X-Y op, waarbij de aanvragers elk één aandeel verwerven en de kinderen elk 3.333 aandelen. Vervolgens wensen de aanvragers de volle eigendom van hun aandelen in A BV en van een effectenportefeuille in te brengen in de maatschap, zonder uitgifte van nieuwe aandelen. Door deze inbreng komt de vermogensaangroei ten goede aan de bestaande vennoten in verhouding tot hun aandelenbezit, wat volgens de aanvragers een onrechtstreekse schenking van 33,33% aan elk van de kinderen uitmaakt.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Een aandeelhoudersovereenkomst (SHA) met betrekking tot A BV stelt evenwel strikte voorwaarden aan een overdracht aan afstammelingen: de heer X moet de exclusieve controle over de aandelen behouden, hij moet de enige vertegenwoordiger tegenover A BV blijven, en de overdracht moet een beding van terugkeer bevatten. Daartoe wordt via een addendum bij de statuten voorzien dat de heer X als enige bestuurder alle bevoegdheden over de aandelen A BV uitoefent en over een vetorecht inzake statutenwijzigingen beschikt.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Vraag</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Worden de inbreng en de latere uitkeringen uit de maatschap onderworpen aan erfbelasting op grond van de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.5, 2.7.1.0.6, 2.7.1.0.7 of 2.7.1.0.9 VCF? Maken de verrichtingen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Beslissing</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">De beslissing is gemengd en volgt een verschillende redenering naargelang het gaat om de aandelen A BV of de effectenportefeuille.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor de effectenportefeuille aanvaardt Vlabel de verrichting. Er is geen controlevoorbehoud dat de kinderen verhindert om over hun aandeel te beschikken. Het unanimiteitsvereiste in het bestuur waarbij alle bestuurders, aanvragers én kinderen, samen moeten beslissen, is een aanvaardbare maatschapstructuur. De overdracht kwalificeert daarmee als een werkelijke en beschikbare overdracht aan de jongere generatie. Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF vindt geen toepassing, noch rechtstreeks noch via de antimisbruikbepaling. Artikel 2.7.1.0.5 VCF blijft wel van toepassing indien een van de schenkers overlijdt binnen de termijn van vijf jaar na de onrechtstreekse schenking, tenzij het pacte adjoint voordien ter registratie wordt aangeboden. De artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.6, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF zijn niet van toepassing.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor de aandelen A BV oordeelt Vlabel dat de verrichting fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF. Die fictiebepaling beoogt te vermijden dat een schenker de overdracht van roerende goederen de facto uitstelt tot zijn overlijden en zo toch het gunstige schenkingstarief geniet terwijl de begiftigde het vermogen niet onmiddellijk kan activeren. Door het quasi-totale en levenslange controlevoorbehoud in hoofde van de heer X, opgelegd door de SHA, kunnen de kinderen de aandelen A BV tijdens het leven van de heer X niet zelf beschikken of in het economisch circuit brengen. Dat is precies de situatie die artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF beoogt te verhinderen. Het controlevoorbehoud werd weliswaar opgenomen om aan de vereisten van de SHA te voldoen, maar een door de partijen zelf in het leven geroepen ongeschiktheid om werkelijk te schenken, kan niet als niet-fiscaal motief worden aanvaard.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Gevolg</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden van de heer X wordt de inbreng van de aandelen A BV met toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF gelijkgesteld met een legaat in de zin van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, met erfbelasting als gevolg. De inbreng van de effectenportefeuille blijft onaangetast. De beslissing bevestigt de lijn dat een gedeeld bestuur waarbij de kinderen mee moeten beslissen aanvaardbaar is, terwijl een exclusief controlevoorbehoud in hoofde van de schenker alleen dat niet is. Zij heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>SP 21041: Vriendenerfenis bij meerdere begunstigden – overgangsregel voor oudere testamenten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Feiten</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel werkte zijn standpunt over de verdeling van de vriendenerfenis (artikel 2.7.5.0.6 VCF) bij meerdere begunstigden bij. De vriendenerfenis voorziet in een vermindering van erfbelasting voor een door de erflater aangeduide persoon.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Vraag</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Hoe wordt de vermindering verdeeld bij meerdere begunstigden, en welke ruimte laat een testamentaire verdelingsbepaling?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Beslissing</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Als algemene regel geldt een pro rata verdeling volgens de persoonlijke nettoverkrijging in verhouding tot de gezamenlijke nettoverkrijging van alle begunstigden. Voor testamenten gedagtekend vóór 1 januari 2026 wordt een andersluidende testamentaire bepaling over de verdeling echter gevolgd, op voorwaarde dat die bepaling duidelijk is. Toegelaten verdelingswijzen zijn een breukdeel (bijvoorbeeld A voor 3/4 en B voor 1/4), een percentage (bijvoorbeeld X voor 60% en Y voor 40%) of een nominaal bedrag tot maximaal 15.000 euro (bijvoorbeeld een nicht voor 10.000 euro en een neef voor 5.000 euro). In geen enkel geval levert de vermindering een grond voor teruggave op.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><em>Gevolg</em></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor testamenten vanaf 1 januari 2026 geldt uitsluitend de pro rata verdeling volgens nettoverkrijging. Wie nog over een ouder testament met een afwijkende verdelingssleutel beschikt en die wenst te behouden, doet er goed aan na te gaan of de bepaling voldoende duidelijk is geformuleerd.</p>



<p class="wp-block-paragraph">June, 17 juni 2026</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Publicaties Vlabel &#8211; maart 2026 &#8211; toekennings- en verblijvingsbedingen &#8211; Deel 2</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-maart-2026-toekennings-en-verblijvingsbedingen/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 17 Jun 2026 03:26:48 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<category><![CDATA[Fiscaal misbruik]]></category>
		<category><![CDATA[Toekenningsbeding]]></category>
		<category><![CDATA[Verblijvingsbeding]]></category>
		<category><![CDATA[Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3253</guid>

					<description><![CDATA[In de maand maart 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst een reeks voorafgaande beslissingen die alle betrekking hebben op één en hetzelfde thema: de toevoeging of wijziging van toekennings- en verblijvingsbedingen binnen het stelsel van scheiding van goederen. We behandelen in dit overzicht acht beslissingen. Zeven daarvan zijn positief, één is negatief. In de negatieve beslissing [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand maart 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst een reeks voorafgaande beslissingen die alle betrekking hebben op één en hetzelfde thema: de toevoeging of wijziging van toekennings- en verblijvingsbedingen binnen het stelsel van scheiding van goederen. We behandelen in dit overzicht acht beslissingen. Zeven daarvan zijn positief, één is negatief. In de negatieve beslissing werd een finaal verrekenbeding vervangen door een toekennings- en verblijvingsbeding.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Besproken beslissingen:</p>



<ul class="wp-block-list">
<li>VB 25131 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25138 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG, beperkt tot aanwinsten) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25147 — Toevoeging optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (zuivere SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25150 — Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst SvG met optioneel verblijvings- en toekenningsbeding : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 26005 — Toevoeging optioneel toekenningsbeding (SvG met TIGV) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25142 — SvG met TIGV : toevoeging optioneel verblijvings- en toebedelingsbeding : geen fiscaal misbruik (met nuance inzake het TIGV)</li>



<li>VB 25153 — Vervanging Valkeniersbeding door optioneel toekenningsbeding (SvG) : geen fiscaal misbruik</li>



<li>VB 25128 — Vervanging finaal verrekenbeding door optioneel verblijvings- en toekenningsbeding (SvG) : fiscaal misbruik</li>
</ul>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25131 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvingsbeding en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen blijkens huwelijkscontract van 2013, tot op heden ongewijzigd. Zij hebben samen één minderjarig kind. Met behoud van het stelsel van scheiding van goederen wensen zij hun huwelijksovereenkomst aan te vullen met enerzijds een verblijvingsbeding met betrekking tot een welbepaald onverdeeld onroerend goed, en anderzijds een toekenningsbeding met betrekking tot verschillende eigen roerende en onroerende goederen. Beide bedingen worden optioneel geformuleerd, zodat zij slechts uitwerking krijgen indien en in de mate waarin de langstlevende echtgenoot zich erop beroept. Partijen voorzien tevens in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.1 VCF, 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF, 2.9.1.0.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">In de mate dat de bedingen burgerrechtelijk als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, werkt deze kwalificatie door in het fiscaal recht. De verkrijging is dan een verkrijging ten bezwarende titel onder de levenden, zodat geen toepassing wordt gemaakt van de fictiebepalingen. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de wens de langstlevende verzorgd achter te laten via een niet-eenzijdig herroepbare regeling, de beperking tot aanwinsten en de uitsluiting van het inkortingsrisico) is er geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de toebedeling van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid; is de verkrijger een derde-verkrijger, dan is het verkooprecht van toepassing op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF. De beslissing heeft enkel betrekking op de erf- en registratiebelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25138 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvings- en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen (huwelijksovereenkomst van 2005). Zij hebben drie gemeenschappelijke kinderen. Beide echtgenoten zijn professioneel actief als zelfstandig bestuurder respectievelijk bestuurder in diverse vennootschappen. Zij wensen het stelsel te behouden, maar aan te vullen met een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor nader aangewezen eigen goederen. Het voorwerp van beide bedingen is uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten, met expliciete uitsluiting van de niet-aanwinsten en het familiaal verkregen vermogen. Mevrouw Y schonk in 2024 reeds een groot deel van haar familievermogen aan de kinderen. De akte voorziet in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn de optionele bedingen onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, en vormen zij — afzonderlijk of in combinatie — fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen burgerrechtelijk als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Het besluitvormingsorgaan merkt daarbij op dat het optioneel toekenningsbeding geen schuld doet ontstaan, maar aan de langstlevende een rechtstreekse en zakenrechtelijke aanspraak verleent, zodat ook artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF niet van toepassing is. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de beperking tot de aanwinsten, de maximale uitschakeling van het inkortingsrisico en de autonomie van beide professioneel actieve echtgenoten) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de onroerende goederen is het verkoop- of verdeelrecht verschuldigd (artikelen 2.9.1.0.1 en 2.10.1.0.1 VCF).</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25147 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel verblijvings- en optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen blijkens huwelijksovereenkomst van 1986, tot op heden ongewijzigd. Zij hebben vier gemeenschappelijke kinderen. De echtgenoten kozen destijds voor scheiding van goederen omwille van de professionele autonomie van de heer X en de bescherming tegen schuldeisers. Zij wensen het stelsel te behouden, maar aan te vullen met een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen (waaronder de gezinswoning) en een optioneel toekenningsbeding voor de aandelen in de besloten vennootschap Z, die exclusief eigendom zijn van de heer X. Om uitholling van de bescherming te vermijden, vereist iedere schenking van eigen goederen aan een derde de instemming van de andere echtgenoot. De akte voorziet in een passiefregeling.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn de optionele bedingen onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.8.1.0.1 VCF, 2.8.4.1.1 VCF en 2.10.1.0.1 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de professionele autonomie van de heer X, de bescherming tegen schuldeisers en de wens de langstlevende via een niet-eenzijdig herroepbare regeling te beschermen) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling of toekenning van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Op de toebedeling van de onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25150 — Voorhuwelijkse huwelijksovereenkomst scheiding van goederen met optioneel verblijvings- en toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X en mevrouw Y, beiden geboren in 1998, vormen een verloofd koppel met de intentie te huwen in 2026. Zij hebben geen kinderen, noch gemeenschappelijk, noch niet-gemeenschappelijk. Mevrouw Y bezit 100% van de aandelen van de besloten vennootschap Z, waarbinnen zij haar beroepsactiviteit uitoefent, alsook financiële tegoeden en een onroerend vermogen in blote eigendom dat zij van haar ouders geschonken kreeg. De partijen zullen na het huwelijk de gezinswoning in onverdeeldheid aankopen. In hun voorhuwelijkse overeenkomst (artikel 14) nemen zij een optioneel verblijvingsbeding voor de onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor bepaalde eigen goederen op, waaronder de aandelen van BV Z. Mevrouw Y wenst zo de continuïteit van haar vennootschap te waarborgen. Partijen vragen, gelet op hun jonge leeftijd, een verlengde duurtijd tot aan de afhandeling van de nalatenschap van de eerstoverledene.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is artikel 14 van de huwelijksovereenkomst onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de professionele autonomie, de bescherming van de langstlevende, de continuïteit van de vennootschap en de niet-eenzijdige herroepbaarheid) is er geen fiscaal misbruik. Gelet op de jonge leeftijd van partijen wordt, in afwijking van artikel 3.22.0.0.1, §4, eerste lid VCF, een beslissing genomen die geldig blijft tot aan de afhandeling van de nalatenschap van de eerstoverleden echtgenoot.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toebedeling van de onverdeelde dan wel eigen roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd. Bij de toebedeling van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid; bij een derde-verkrijger is het verkooprecht van toepassing op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF. Concreet betekent dit dat op de helft van de waarde van de gezinswoning het verdeelrecht verschuldigd is in geval van verblijving aan de langstlevende.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 26005 — Wijziging huwelijksovereenkomst — toevoeging optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y zijn sinds 1996 gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, dat zij in 2017 aanvulden met een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen (TIGV) waarin diverse onroerende goederen werden ingebracht, en in 2018 verder uitbreidden met de inbreng van de gezinswoning. Zij hebben twee gemeenschappelijke kinderen. Bij akte van 2025 voegden zij een optioneel toekenningsbeding toe met betrekking tot bepaalde categorieën eigen, niet-onverdeelde goederen, uitdrukkelijk beperkt tot de huwelijkse aanwinsten. De vermogensopbouw van X is groter geweest, terwijl Y sterker bijdroeg in de gezinstaken. Het beding is optioneel en voorziet in een passiefregeling.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF, 2.7.1.0.5 VCF en 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover het beding als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking kwalificeert, worden de fictiebepalingen niet toegepast, en evenmin artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF, nu het beding geen schuld doet ontstaan. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de beperking tot de aanwinsten, de reservebestendigheid gelet op de twee gemeenschappelijke kinderen, de ongelijke vermogensopbouw tijdens het huwelijk en de autonomie van beide echtgenoten) is er geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toekenning van de eigen niet-onverdeelde goederen wordt geen erfbelasting geheven. Er wordt evenwel uitdrukkelijk genuanceerd dat artikel 2.7.1.0.4 VCF wél toepassing kan vinden indien meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot zou worden toebedeeld. De beslissing heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25142 — Wijziging huwelijksovereenkomst — SvG met TIGV — toevoeging optioneel verblijvings- en toebedelingsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een beperkt toegevoegd gemeenschappelijk vermogen, ingevolge huwelijkscontract van 2023. De heer X is geboren in 1990, mevrouw Y in 1980; uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren. Het toegevoegd gemeenschappelijk vermogen bevat thans één enkele bankrekening. De echtgenoten wensen enerzijds de samenstelling van dit vermogen te beperken en het gemeenschapsvermoeden te schrappen, en anderzijds een optioneel verblijvingsbeding voor alle onverdeelde goederen en een optioneel toebedelingsbeding voor alle exclusief eigen goederen toe te voegen, met uitsluiting van de eigen goederen verkregen door erfenis of schenking.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn het optioneel verblijvingsbeding en het optioneel toebedelingsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormen zij fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover de bedingen als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking kwalificeren, worden de fictiebepalingen in beginsel niet toegepast. Het besluitvormingsorgaan oordeelt terecht dat artikel 2.7.1.0.4 VCF wél toepassing zal vinden bij toebedeling van meer dan de helft van het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen aan de langstlevende echtgenoot. Voor het overige, en voor zover de bedingen geen betrekking hebben op gemeenschapsgoederen, is er geen fiscaal misbruik. De wijziging van de samenstelling van het TIGV wijzigt overigens niets aan de feitelijke situatie, nu dit vermogen slechts één goed bevat.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de verblijving en toebedeling van de roerende goederen is geen registratiebelasting verschuldigd. Op de verblijving van de onverdeelde onroerende goederen is het verdeelrecht verschuldigd; op de toebedeling van de eigen onroerende goederen is het verkooprecht van toepassing. Bij toebedeling van meer dan de helft van het TIGV is erfbelasting verschuldigd op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25153 — Wijziging huwelijksovereenkomst — vervanging Valkeniersbeding door optioneel toekenningsbeding</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1969) en mevrouw Y (geboren 1966) zijn sinds 2021 gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Zij hebben geen gemeenschappelijke kinderen; X heeft vier kinderen uit een vorig huwelijk, Y heeft er twee. X bouwde een vermogen op in zijn landbouwonderneming. De verstandhouding met de kinderen van X verloopt steeds moeizamer. Ter bescherming van Y wensen de echtgenoten het bestaande Valkeniersbeding (artikel 10 van het huwelijkscontract) te schrappen en te vervangen door een optioneel toekenningsbeding met betrekking tot welomschreven eigen roerende goederen van X: de financiële tegoeden op twee bankrekeningen en twee onderhandse schuldvorderingen die X heeft op de kinderen van Y. Het beding werkt ongeacht of de gelden kwalificeren als aanwinsten dan wel als eigen goederen verkregen vóór of tijdens het huwelijk door erfenis of schenking. De akte voorziet in een passiefregeling en in zaakvervanging.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is het optioneel toekenningsbeding onderworpen aan de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF, en vormt het fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor zover het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking kwalificeert, worden de fictiebepalingen niet toegepast. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de voorgelegde niet-fiscale motieven (de bescherming en verzorging van Y, de gemoedsrust die een huwelijkscontractuele regeling biedt tegenover een eenzijdig herroepbaar testament, en het behoud door X van zijn beschikkingsrecht tijdens zijn leven) is er geen fiscaal misbruik. De aanwezigheid van niet-gemeenschappelijke kinderen verhindert deze uitkomst niet; wel zijn de plafonds van artikel 2.3.58 BW van toepassing, met mogelijke inkorting indien deze worden overschreden.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de toekenning van de eigen roerende goederen is geen erf- noch schenkbelasting verschuldigd. De beslissing heeft enkel betrekking op de erfbelasting.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25128 — Wijziging huwelijksovereenkomst — vervanging finaal verrekenbeding door verblijvings- en toekenningsbedingen</h2>



<p class="wp-block-paragraph">Tegenover de zeven positieve beslissingen staat één negatieve.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y waren oorspronkelijk gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen (1970). Bij wijzigende overeenkomst van 2011 werd een finaal verrekenbeding voor de aanwinsten toegevoegd, dat in 2017 verder werd gemoduleerd. Bij akte van 2025 vervingen de echtgenoten dit optioneel finaal verrekenbeding (met mogelijkheid tot uitoefening van de verrekenvordering in natura) door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen van de aanwinsten. Zowel het oude als het nieuwe beding waren optioneel.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de vervanging van het bestaande optioneel finaal verrekenbeding door optionele verblijvings- en toekenningsbedingen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, in het bijzonder gelet op artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede volzin VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik. Dat oordeel is niet vanzelfsprekend: eerder, in VB 25024 (april 2025), aanvaardde Vlabel een gelijkaardige vervanging van een finaal verrekenbeding door toekennings- en verblijvingsbedingen wél, omdat de niet-fiscale motieven er overtuigend waren en de zakelijke werking van de nieuwe bedingen een reëel voordeel bood ten opzichte van de louter verbintenisrechtelijke vordering van het verrekenbeding. In VB 25128 lag het anders. Vlabel stelde vast dat de nieuwe bedingen de facto dezelfde werking hadden als het vervangen verrekenbeding: in beide gevallen was een uitdrukkelijke keuze van de langstlevende vereist, moest de nettowaarde van de gekozen goederen met de erfgenamen worden overeengekomen, en werd bij gebrek aan akkoord een deskundige aangesteld. Bij het verrekenbeding had de langstlevende zelfs nog de bijkomende keuze om in waarde in plaats van in natura te ontvangen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De tweede zin van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF, ingevoegd bij het decreet van 8 december 2017, heeft als uitdrukkelijke doelstelling de overgang van vermogen aan de langstlevende echtgenoot via een finaal verrekenbeding aan erfbelasting te onderwerpen, door de verrekenschuld uit het passief van de nalatenschap te weren. Door het bestaande verrekenbeding te vervangen door zakenrechtelijke bedingen die de te verblijven of toe te kennen goederen het vermogen van de eerststervende doen verlaten, ontwijken de echtgenoten doelbewust deze belastbaarheid.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het aangevoerde niet-fiscale motief (de maximale uitschakeling van het inkortingsrisico) wordt niet aanvaard, omdat dit risico zowel voor het vervangen verrekenbeding als voor de nieuwe bedingen volledig gelijk is: beide gaan uit van de kwalificatie als huwelijksvoordeel en beide betreffen enkel aanwinsten. De vervanging plaatst de echtgenoten dus, in strijd met de doelstelling van artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, tweede zin VCF, buiten de toepassing van dat artikel, door bepalingen op te nemen die de facto dezelfde werking hebben.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden van een van de echtgenoten waarbij het verblijvings- of toekenningsbeding wordt ingeroepen, wordt met de overgang van goederen door verblijving of toekenning geen rekening gehouden. Ingevolge het fiscaal misbruik is de wijziging van het huwelijksstelsel niet tegenstelbaar in de mate dat zij de toepassing van de erfbelasting mogelijk maakt te ontwijken.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">June, 16 juni 2026.</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Rechtspraak gepubliceerd door de Vlabel &#8211; maart 2026</title>
		<link>https://june.estate/rechtspraak-gepubliceerd-door-de-vlaamse-belastingdienst-maart-2026/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 16 Jun 2026 05:35:00 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3245</guid>

					<description><![CDATA[De maand maart 2026 bracht vier vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, alle gepubliceerd op 25 maart 2026 op de website van de Vlabel. De vonnissen behandelen uiteenlopende onderwerpen: 24/1013/A — Ambtshalve ontheffing — nieuwe bescheiden of feiten — dubbele belasting Feiten Erflaatster overleed op 22 juli 2020. Haar erfgenamen dienden tijdig [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph"></p>



<p class="wp-block-paragraph">De maand maart 2026 bracht vier vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, alle gepubliceerd op 25 maart 2026 op de website van de Vlabel. De vonnissen behandelen uiteenlopende onderwerpen: </p>



<ul class="wp-block-list">
<li>ambtshalve ontheffing wegens nieuwe feiten, </li>



<li>waardering van aandelen van een passieve holding, </li>



<li>niet-registratie van een schenking wegens ontbreken van de fiscale woonplaats, </li>



<li>en de bindende kracht van een experten-schatting.</li>
</ul>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/ambtshalve-ontheffing---nieuwe-bescheiden-of-feiten---dubbele-belasting">24/1013/A — Ambtshalve ontheffing — nieuwe bescheiden of feiten — dubbele belasting</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Erflaatster overleed op 22 juli 2020. Haar erfgenamen dienden tijdig een aangifte van nalatenschap in, waarin een levensverzekeringscontract met een afkoopwaarde van € 601.747,47 werd aangegeven. De erfgenamen gingen er daarbij van uit dat de premies met eigen middelen van erflaatster waren betaald. Pas na een vraag van de notaris aan de verzekeringsmaatschappij bleek dat de premies werden betaald vanuit het gemeenschappelijk vermogen, zodat het contract voor de helft van de afkoopwaarde had moeten worden opgenomen in de aangifte van de vooroverleden echtgenoot van erflaatster (overleden op 14 maart 2013). In opvolging van dit antwoord dienden de erfgenamen een&nbsp;<strong>bijvoeglijke aangifte</strong>&nbsp;in in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot en betaalden de bijkomende erfbelasting. Op 18 september 2023 dienden zij een verzoek tot ambtshalve ontheffing in voor de nalatenschap van erflaatster, in de mate dat de uitkering reeds in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot aan erfbelasting was onderworpen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel beschouwde het schrijven ook als een bezwaarschrift, maar verklaarde het bezwaar onontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Het verzoek tot ambtshalve ontheffing werd afgewezen wegens het ontbreken van een materiële vergissing en van nieuwe feiten ingegeven door gewettigde redenen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beoordeling door de rechtbank</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtbank verklaart de vordering ontvankelijk. Het verzoek tot ambtshalve ontheffing werd tijdig ingediend binnen de vijfjaarstermijn van artikel 3.6.0.0.1 VCF, zodat de vordering in rechte ontvankelijk is. Het feit dat Vlabel het schrijven ook als bezwaar kwalificeerde en het bezwaar onontvankelijk verklaarde, doet geen afbreuk aan de ontvankelijkheid van de ambtshalve ontheffing.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Ten gronde oordeelt de rechtbank dat er geen&nbsp;<strong>materiële vergissing</strong>&nbsp;voorligt. De erfgenamen beschikten over de gegevens van de polis vóór het indienen van de aangifte. De datum van de overeenkomst (1 juni 2012) stond duidelijk vermeld, zodat de erfgenamen konden weten dat de polis tijdens het huwelijk was aangegaan. De keuze om de polis als eigen vermogen aan te geven was geen vergissing maar een welbewuste keuze.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Wel is er sprake van een&nbsp;<strong>nieuw feit</strong>&nbsp;dat een ambtshalve ontheffing rechtvaardigt. Dat nieuwe feit is de bijvoeglijke aangifte in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot op 9 maart 2022, die nodig was ingevolge het standpunt van Vlabel zoals verwoord in een e-mailbericht van 30 maart 2022. Dit feit kon niet worden ingeroepen binnen de bezwaartermijn (die eindigde op 13 april 2021), en het laattijdig inroepen ervan wordt verantwoord door gewettigde redenen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De bestreden aanslagen worden ontheven in de mate dat de uitkering uit het levensverzekeringscontract in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot aan erfbelasting werd onderworpen (meer bepaald voor de helft van € 579.381,22).</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/waardering-aandelen-passieve-holding-in-actieve-dochter">24/564/A — Waardering aandelen passieve holding in actieve dochter</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Erflater EM overleed op 29 augustus 2022, gehuwd onder het wettelijk stelsel met een huwelijksovereenkomst, en liet drie kinderen na. De belastingplichtige (zijn echtgenote) verkreeg de volle eigendom van de huwgemeenschap en het vruchtgebruik op de eigen goederen van de erflater. In de aangifte van nalatenschap werd toepassing gemaakt van het verlaagd tarief voor familiale vennootschappen voor 2.000/6.000 aandelen van BV V G., een vennootschap die zelf geen nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit uitoefent, maar een deelneming van 99,96% bezit in NV A, een vennootschap die wel een actieve exploitatie voert. De waarde van de 2.000 aandelen werd door de belastingplichtige aangegeven voor € 347.542,36, het aandeel in NV A voor € 42,74.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel paste het verlaagd tarief slechts toe op het gedeelte van de waarde dat overeenstemt met de deelneming in de actieve dochter, met name 20,49% in plaats van op de volledige waarde.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beoordeling door de rechtbank</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtbank herinnert eraan dat holdings zonder handelsactiviteit zelf niet rechtstreeks kunnen kwalificeren als familiale vennootschap in de zin van artikel 2.7.4.2.2 VCF. Zij kunnen daarmee wel worden gelijkgesteld indien zij een kwalificerende deelneming hebben in een directe dochtervennootschap die wel als familiale vennootschap kwalificeert. In dat geval geldt het verlaagd tarief overeenkomstig artikel 2.7.4.2.2, §3 VCF&nbsp;<strong>slechts proportioneel</strong>, namelijk ten belope van de waarde van de aandelen van de holding in de directe actieve dochter.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De belastingplichtige betwist niet de toepassing van het pro rata als dusdanig, maar voert aan dat de waarde van zowel de holding als de dochter onjuist werd aangegeven. De waarde van NV A zou volgens haar € 474,18 per aandeel bedragen in plaats van de aangegeven € 42,74, en de waarde van BV V G. zou € 604.653,98 moeten zijn in plaats van € 347.542,36.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtbank verwerpt deze stelling. Belastingplichtige is niet overgegaan tot enige wijziging van de aangifte en roept de foutieve waardering pas voor het eerst op in haar bezwaarschrift. De aanslag is integraal gebaseerd op hetgeen belastingplichtige zelf in de aangifte heeft opgenomen. De door haar vooropgestelde waarderingstechnieken acht de rechtbank niet geloofwaardig. Er wordt geen rekening gehouden met de verzekeringsportefeuille van NV A (geschat op € 2.392.500), en ook voor de deelneming van NV A in haar dochter EC T wordt geen enkel bewijsstuk voorgelegd. Bij gebrek aan een onderbouwde waarderingstechniek faalt belastingplichtige in haar bewijslast. Van een materiële vergissing die een ambtshalve ontheffing zou kunnen verantwoorden (artikel 3.6.0.0.1 VCF) is geen sprake.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De vordering tot ontheffing is ongegrond. De aanslag blijft behouden.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/niet-registratie-van-schenking-door-ontbreken-vermelding-fiscale-woonplaats">23/2040/A — Niet-registratie van schenking door ontbreken vermelding fiscale woonplaats</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer JS deed op 23 en 25 maart 2023 een bankgift van € 190.000 aan zijn zus (belastingplichtige). De zus bood de documenten ter registratie aan via MyMinfin op 20 juli 2023, maar de registratie werd geweigerd omdat het document geen vermelding van de fiscale woonplaats van de schenker bevatte. Een tweede aanbieding per aangetekende zending leidde tot dezelfde weigering. Een derde aanbieding na het overlijden van de schenker (25 juli 2023) werd geweigerd wegens het overlijden. Doordat de schenking niet geregistreerd raakte vóór het overlijden en binnen de driejaarstermijn viel, werd geen schenkbelasting (7%, € 13.300) geheven, maar wel erfbelasting (€ 90.000). De belastingplichtige vorderde schadevergoeding van € 76.700 van de Belgische Staat (FOD Financiën) wegens beweerde foutieve weigering van registratie.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beoordeling door de rechtbank</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtbank oordeelt dat de weigering tot registratie geen fout uitmaakt. De fiscale woonplaats van de schenker is een essentieel gegeven om te bepalen aan welk gewest de heffing van de schenkbelasting toekomt. Het federale kantoor Rechtszekerheid had op grond van artikel 168, eerste lid W.Reg. het recht om de registratie te weigeren, en de belastingplichtige werd de mogelijkheid geboden om de akte gecorrigeerd opnieuw aan te bieden.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De vordering van de belastingplichtige is ongegrond.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/experten-schatting-art-33109-1-vcf-niet-bindend-voor-vlabel">24/943/A — Experten-schatting niet-bindend voor VLABEL</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Erflater overleed op 19 oktober 2020. Een woning werd aangegeven voor € 187.500, op basis van een schattingsverslag van een erkend schatter-expert van 9 april 2021. In februari 2021 was de woning echter reeds te koop aangeboden voor € 299.000, en op 31 augustus 2021 werd ze effectief verkocht voor die prijs. Vlabel voerde een controleschatting uit en bepaalde de waarde op datum van overlijden op € 282.000, met een meerwaarde van € 94.500 tot gevolg en een bijkomende erfbelasting van € 25.987,50 per belastingplichtige. Vlabel beschouwde het schattingsverslag van de schatter-expert als niet-bindend wegens vormgebreken en ontoereikende motivering.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beoordeling door de rechtbank</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtbank bevestigt dat een schattingsverslag van een erkend schatter-expert&nbsp;<strong>niet automatisch bindend</strong>&nbsp;is voor VLABEL. Overeenkomstig artikel 3.3.1.0.9/1 VCF is een schatting slechts bindend wanneer het verslag deugdelijk gemotiveerd is en voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. In dit geval vertoonde het verslag vormgebreken (ontbreken van de verplichte clausule en van elementen over voorzieningen, onroerend erfgoed en voorkooprecht) en was het niet deugdelijk gemotiveerd: de drie vergelijkingspunten waren niet representatief, de invloed van bodemsaneringskosten was tegenstrijdig toegelicht, en de vraagprijs van € 299.000 (die vier maanden later ook effectief werd betaald) werd niet vermeld of toegelicht. De vraagprijs was een relevant element voor de normale verkoopwaarde op datum van overlijden. VLABEL heeft met haar eigen schattingsverslag (met meer vergelijkingspunten en een diepgaandere motivering) afdoende bewezen dat de waarde hoger was.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtbank aanvaardt een normale verkoopwaarde op datum van overlijden van € 282.000. Dit bedrag stemt overeen met de door Vlabel uitgevoerde controleschatting, waarbij rekening werd gehouden met een verkaveling in twee bouwgronden, afbraak- en verkavelingskosten, en een minwaarde van 5% wegens risicogrond. Vlabel gebruikte daarvoor beduidend meer vergelijkingspunten dan de schatter-expert van de belastingplichtigen, en ging dieper in op mobiliteits- en omgevingsfactoren.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De oorspronkelijk aangegeven waarde bedroeg € 187.500, wat leidt tot een meerwaarde van € 94.500 en een bijkomende erfbelasting van € 25.987,50 per belastingplichtige. De rechtbank oordeelt dat de aanstelling van een gerechtsdeskundige niet opportuun is, aangezien Vlabel met haar eigen schattingsverslag voldoende objectieve elementen heeft aangebracht om de waarde correct te bepalen. De vordering van de belastingplichtigen is ongegrond.</p>



<p class="wp-block-paragraph">June, 16 juni 2026.</p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Publicaties Vlabel &#8211; Maart 2026 &#8211; Deel 1</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-maart-2026/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Tue, 16 Jun 2026 03:19:10 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3242</guid>

					<description><![CDATA[INLEIDING In de maand maart 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst een reeks voorafgaande beslissingen en administratieve standpunten die relevant zijn voor de successieplanning. We behandelen in dit overzicht de beslissingen over maatschappen, inbreng gevolgd door schenking, schenking met last, het verlaagde tarief voor de enige eigen woning, verwerping van nalatenschap gevolgd door schenking, en twee [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">INLEIDING</h2>



<p class="wp-block-paragraph">In de maand maart 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst een reeks voorafgaande beslissingen en administratieve standpunten die relevant zijn voor de successieplanning. We behandelen in dit overzicht de beslissingen over maatschappen, inbreng gevolgd door schenking, schenking met last, het verlaagde tarief voor de enige eigen woning, verwerping van nalatenschap gevolgd door schenking, en twee administratieve standpunten. De beslissingen over toekennings- en verblijvingsbedingen komen aan bod in een afzonderlijke publicatie. De rechtspraak van de maand wordt besproken in een tweede afzonderlijke publicatie.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Besproken beslissingen en standpunten:</strong></p>



<ul class="wp-block-list">
<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25117">VB 25117</a> — Maatschap — geen fiscaal misbruik</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25124">VB 25124</a> — Maatschap — fiscaal misbruik (fdc, echtgenote)</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25146">VB 25146</a> — Maatschap — fiscaal misbruik (onrechtstreekse schenking, uitgifte aandelen)</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25152">VB 25152</a> — Maatschap — fiscaal misbruik (inbreng zonder uitgifte aandelen)</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25129">VB 25129</a> — Maatschap — geen fiscaal misbruik (statutenwijziging)</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25132">VB 25132</a> — Inbreng landbouwgronden in vennootschap gevolgd door schenking aandelen — fiscaal misbruik</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb26004">VB 26004</a> — Inbreng onroerend goed in huwgemeenschap gevolgd door schenking — fiscaal misbruik</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25133">VB 25133</a> — Schenking met last — kwalificeert als schenking</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25123">VB 25123</a> — Schenking vruchtgebruik gevolgd door aankoop enige eigen woning — fiscaal misbruik</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25130">VB 25130</a> — Verwerping nalatenschap gevolgd door schenking — fiscaal misbruik</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/sp21055">SP 21055</a> — Regularisatieheffing opnieuw aanvaard als passief nalatenschap</li>



<li><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/sp15172">SP 15172</a> — Verdeelrecht 1% na echtscheiding of beëindigen wettelijk samenwonen (update)</li>
</ul>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 1: MAATSCHAPPEN</h2>



<p class="wp-block-paragraph">De maand maart brengt vijf beslissingen over maatschappen, waarvan drie negatief en twee positief. De rode draad blijft dezelfde als in de vorige maanden: het controlevoorbehoud van de schenker is doorslaggevend.</p>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25117">VB 25117 — Oprichting maatschap gevolgd door schenking aandelen van de maatschap met voorbehoud van vruchtgebruik</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Echtgenoten X (geboren 1957) en Y (geboren 1968), gehuwd onder het wettelijk stelsel (gewijzigd in 2017 en 2025), hebben één gemeenschappelijke dochter Z (geboren 2005). X en Y richten een maatschap op en brengen vermogensbestanddelen in (aandelen van vennootschappen en liquide middelen). In ruil ontvangen zij aandelen van de maatschap in verhouding tot hun inbreng. Nadien schenken zij een deel van hun maatschapsaandelen aan hun dochter, met voorbehoud van vruchtgebruik (terugval naar de langstlevende).</p>



<p class="wp-block-paragraph">De duurtijd van de maatschap is beperkt in de tijd en niet gekoppeld aan de levensduur van de ouders. Beide ouders worden aangesteld als zaakvoerder. De zaakvoerders zijn uitsluitend bevoegd voor daden van beheer; daden van beschikking vereisen unanimiteit van alle vennoten, waarbij het stemrecht door de vruchtgebruikers (ouders) én de blote eigenaar (dochter) samen wordt uitgeoefend. Bij het defungeren van een ouder wordt de dochter geleidelijk mee-zaakvoerder (vanaf 25 jaar in college; vanaf 35 jaar alleen). Bij voortijdig wegvallen van beide ouders treedt een derde (de heer A) als mede-zaakvoerder op tot de dochter 35 jaar is.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de voorgenomen verrichtingen — oprichting maatschap gevolgd door schenking van aandelen met voorbehoud van vruchtgebruik — fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Het verschil met de gangbare negatieve beslissingen is tweeledig. Enerzijds wordt het controlevoorbehoud van de schenkers in de statuten substantieel afgezwakt: de zaakvoerders kunnen enkel daden van beheer stellen, beschikkingshandelingen vereisen unanimiteit met de dochter, en de dochter wordt geleidelijk mee-zaakvoerder. Anderzijds worden overtuigende niet-fiscale motieven aangevoerd, met name de geleidelijke voorbereiding van de dochter op het beheer van het familiaal vermogen en het voorzien in een beschermingsmechanisme bij voortijdig wegvallen van de ouders.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij registratie van de notariële schenking is schenkbelasting verschuldigd aan het tarief van artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF (3% in rechte lijn voor roerende goederen). Bij overlijden van de schenkers wordt geen erfbelasting geheven op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF. Artikelen 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF zijn evenmin van toepassing.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25124">VB 25124 — Oprichting maatschap gevolgd door schenking aandelen met voorbehoud van vruchtgebruik en fideïcommis de residuo</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1974) en zijn echtgenote Y (geboren 1975) zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen en hebben twee meerderjarige dochters. X brengt quasi alle vermogensbestanddelen in een nieuw op te richten maatschap in. Y brengt slechts € 1.000. X schenkt vervolgens een deel van zijn aandelen in blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik aan zijn echtgenote Y, met een fideïcommis de residuo ten gunste van de twee dochters. De schenking aan Y wordt verleden voor een Belgische notaris en is ad nutum herroepbaar (schenking buiten huwelijkscontract). De maatschap heeft een vaste duurtijd die overeenkomt met de te verwachten levensduur van X en kan enkel door X vervroegd worden ontbonden. X is voor het leven aangesteld als enige onafzetbare zaakvoerder.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF. Het controlevoorbehoud is quasi-totaal en levenslang en vloeit voort uit een combinatie van elementen. X is enige onafzetbare zaakvoerder voor het leven, met exclusieve bevoegdheid voor alle daden van beheer. Als vruchtgebruiker van de geschonken aandelen moet hij zijn akkoord geven voor alle daden van beschikking. Als zaakvoerder kan alleen hij wijzigingen aanbrengen aan de statutaire bepalingen die zijn eigen bevoegdheden omschrijven. Als vruchtgebruiker beslist hij alleen over de winstuitkering en is hij de enige mogelijke begunstigde ervan. De schenking is ad nutum herroepbaar. De maatschap is opgericht voor een duurtijd die overeenstemt met de te verwachten levensduur van X, en de vervroegde ontbinding kan enkel door hem worden beslist. De geldelijke lasten die aan de begiftigde echtgenote worden opgelegd, worden voldaan door intering op haar eigen aandelen in de maatschap. Het voornaamste doel — de bescherming van de echtgenote bij vooroverlijden van X — bewijst dat de schenking in feite pas effect sorteert bij zijn overlijden. De niet-fiscale motieven volstaan niet.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden van de schenker is de schenking onderworpen aan erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25146">VB 25146 — Onrechtstreekse schenking — inbreng in maatschap met uitgifte aandelen</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Echtgenoten X (geboren 1959) en Y (geboren 1970), gehuwd onder het wettelijk stelsel, hebben drie meerderjarige dochters. X brengt 41 eigen aandelen en 5 gemeenschappelijke aandelen van CommV D in in een nieuw op te richten maatschap E. De maatschap creëert 1.000 maatschapsaandelen als tegenprestatie voor deze inbreng. Die worden echter niet aan de inbrengende ouders toegekend, maar voor 996/1.000 rechtstreeks en in volle eigendom aan de drie dochters uitgegeven (in onverdeeldheid). Slechts 2 aandelen gaan naar de echtgenoten X‑Y en 2 naar X. De ouders realiseren met deze constructie een onrechtstreekse schenking via een inbreng ten behoeve van een derde: zij brengen vermogen in de maatschap in, maar de maatschapsaandelen die als tegenprestatie worden gecreëerd, laten zij rechtstreeks aan hun kinderen toekomen. Nadien brengen de dochters op eigen initiatief ook elk hun eigen aandeel in CommV D in, in ruil voor telkens één bijkomend maatschapsaandeel. Uiteindelijk behoren 49 van de 50 aandelen van CommV D tot de maatschap; X behoudt één aandeel. De maatschap wordt opgericht voor een bepaalde duur van 30 jaar. X is voor het leven aangesteld als exclusieve, onafzetbare zaakvoerder, met exclusieve bevoegdheid voor alle daden van beheer én beschikking. De kinderen kunnen statutair geen daden van beheer of beschikking stellen met betrekking tot de goederen van de maatschap. De zaakvoerder heeft een vetorecht bij statutenwijzigingen, oefent het stemrecht uit in CommV D, en de netto-inkomsten worden bij voorrang aangewend voor een lijfrente aan de ouders.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF. Het controlevoorbehoud is doorslaggevend. X is exclusief en onafzetbaar zaakvoerder voor het leven, met exclusieve bevoegdheid voor alle daden van beheer en beschikking; de kinderen kunnen tijdens zijn leven geen enkele daad van beheer of beschikking stellen. De unanimiteitsvereiste op de algemene vergadering verleent de ouders een feitelijk vetorecht, ook bij de vervanging van de zaakvoerder. De zaakvoerder oefent het stemrecht uit in CommV D, beslist over het vervreemden en wederbeleggen van het vermogen, en de netto-inkomsten worden bij voorrang aangewend voor een lijfrente aan de ouders. Het over te dragen vermogen blijft de facto onbeschikbaar voor de kinderen tijdens het leven van hun ouders. De niet-fiscale motieven (gestructureerd beheer, transparante overdracht, vermijden van versnippering) overtuigen niet: dezelfde doelstellingen kunnen rechtstreeks binnen CommV D worden bereikt en de constructie vergroot net de versnippering in hoofde van de maten.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden van de schenker is de schenking onderworpen aan erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25152">VB 25152 — Oprichting maatschap gevolgd door bijkomende inbreng in maatschap zonder uitgifte aandelen</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1955) richt samen met zijn twee meerderjarige kinderen Y en Z een maatschap op. Bij oprichting brengen de kinderen elk € 2.250 in (samen 90% van de aandelen, elk 45%) en X € 500 (10%). Nadien brengt X vier effectenportefeuilles en effectenrekeningen in, maar voor deze bijkomende inbreng worden geen nieuwe maatschapsaandelen gecreëerd. Doordat de aandelenverhouding ongewijzigd blijft, komt 90% van de waarde van de ingebrachte portefeuilles economisch toe aan de kinderen. X realiseert zo een onrechtstreekse schenking via een inbreng zonder uitgifte van nieuwe aandelen (ten belope van 45% aan Y en 45% aan Z). Van deze schenking wordt een pacte adjoint opgemaakt.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De maatschap wordt opgericht voor een bepaalde duur van 20 jaar. X is voor het leven aangesteld als enige onafzetbare zaakvoerder, met exclusieve bevoegdheid voor alle daden van beheer én beschikking. De kinderen hebben tijdens het leven van X geen enkele inspraak in het beheer. De zaakvoerder heeft een vetorecht bij statutenwijzigingen. Enkel voor zeer specifieke handelingen (vervreemden onder aankoopwaarde, transacties &gt; € 250.000) is unanimiteit vereist. De kinderen verbinden zich er bovendien toe om bij herbelegging van het vermogen in onroerende goederen een authentieke volmacht aan X te verlenen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF. Het controlevoorbehoud is doorslaggevend. X is voor het leven als enige onafzetbare zaakvoerder aangesteld, met exclusieve bevoegdheid voor alle daden van beheer én beschikking. De kinderen kunnen tijdens zijn leven geen enkele daad van beheer of beschikking stellen. Het vetorecht bij statutenwijzigingen versterkt de controle. De kinderen krijgen pas na het overlijden van X effectieve zeggenschap over het vermogen. De niet-fiscale motieven (gestructureerd familiaal beheer, gezamenlijk overleg) overtuigen niet: de kinderen hebben net geen enkele inspraak tijdens het leven van X.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden van de schenker is de schenking onderworpen aan erfbelasting op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25129">VB 25129 — Statutenwijziging maatschap gevolgd door schenking</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1972), alleenstaande vader van drie meerderjarige kinderen A, B en C, richtte in 2017 samen met drie niet-familiale vennoten een maatschap op. De maatschap houdt sindsdien 1.340 aandelen aan van NV G, een vennootschap die kwalificeert als familiale vennootschap in de zin van artikel 2.8.6.0.3 VCF. In 2025 traden de kinderen als aandeelhouders toe (elk 1 aandeel). X wenst nu, na een statutenwijziging, 39.912 aandelen (13.304 per kind) in blote eigendom met voorbehoud van vruchtgebruik aan zijn drie kinderen te schenken via notariële akte.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Aan de schenking gaat een statutenwijziging vooraf die het controlevoorbehoud van X substantieel afzwakt en de kinderen geleidelijk voorbereidt op het beheer. De zaakvoerder (X) is niet langer bevoegd voor wezenlijke beslissingen; die worden overgeheveld naar de buitengewone algemene vergadering. Daden van beschikking en wezenlijke beslissingen vereisen tijdens het zaakvoerderschap van X een tweederde meerderheid én de goedkeuring van X. Na het defungeren van X geldt voor daden van beschikking unanimiteit en voor wezenlijke beslissingen unanimiteit én de goedkeuring van de heer F, een niet-familiale vennoot die als zaakvoerder ad hoc is aangesteld. De heer F treedt samen met de kinderen op als opvolgend zaakvoerder tot zij allen 35 jaar zijn; daarna heeft F een adviserende rol. De duurtijd van de maatschap is niet gekoppeld aan de levensduur van X.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de statutenwijziging gevolgd door de schenking van maatschapsaandelen fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Doorslaggevend is de concrete feitenconstellatie. De maatschap bestaat al sinds 2017 en werd oorspronkelijk opgericht om de kinderen te beschermen bij een mogelijk overlijden van X op jonge leeftijd. De statutenwijziging zwakt het controlevoorbehoud substantieel af: de zaakvoerder verliest zijn exclusieve beslissingsbevoegdheid voor wezenlijke beslissingen, daden van beschikking vereisen een tweederde meerderheid en na defungeren van X unanimiteit, en de niet-familiale vennoot F blijft als begeleider en mede-zaakvoerder betrokken tot de kinderen 35 jaar zijn. De niet-fiscale motieven — het vrijwaren van het familiebedrijf (meer dan 100 werknemers), de geleidelijke voorbereiding van de kinderen, en de begeleiding door een derde — zijn overtuigend.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij registratie van de notariële schenking kan de vrijstelling van schenkbelasting worden toegepast indien NV G op het ogenblik van de schenking kwalificeert als familiale vennootschap in de zin van artikel 2.8.6.0.3 VCF en aan alle overige voorwaarden is voldaan. Bij overlijden van X wordt geen erfbelasting geheven op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF. Artikelen 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF zijn evenmin van toepassing.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 2: INBRENG IN VENNOOTSCHAP / HUWGEMEENSCHAP</h2>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25132">VB 25132 — Inbreng landbouwgronden gevolgd door schenking aandelen</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Broer X (geboren 1955) en zus Y (geboren 1960) zijn elk voor 50% onverdeeld eigenaar van een geheel van bos- en landbouwgronden. Zij zijn tevens elk voor 50% aandeelhouder van BV Z, een actieve land- en tuinbouwvennootschap die de betrokken landbouwgronden reeds feitelijk exploiteert (maïsteelt, subsidieontvangsten, erkend natuurbeheerplan). X en Y wensen de landbouwgronden in te brengen in BV Z tegen toekenning van maatschappelijke rechten (stap 1), en vervolgens hun aandelen in BV Z te schenken aan hun respectieve kinderen (stap 2). De inbreng gebeurt uitsluitend tegen nieuwe aandelen, zonder schuldovername. De gronden worden niet aangewend voor bewoning.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de inbreng van de landbouwgronden in BV Z gevolgd door de schenking van de aandelen fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik uitmaken wegens ontwijking van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF (de progressiviteit in de schenkbelasting voor onroerende goederen). Door de landbouwgronden eerst in te brengen in BV Z en vervolgens de aandelen te schenken, genieten de begiftigden het vlakke tarief voor roerende goederen (3%) of zelfs de vrijstelling voor familiale vennootschappen, in plaats van het progressieve tarief voor onroerende goederen. De niet-fiscale motieven overtuigen niet. De omzet uit landbouwactiviteiten van BV Z is beperkt in verhouding tot de omvang van de over te dragen gronden, zodat het motief om de gronden juridisch ter beschikking te houden van BV Z niet aannemelijk is. Het argument van het robuuste kader voor overdracht aan de kinderen kan ook via lasten en voorwaarden bij een rechtstreekse schenking worden bereikt.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De schenking van de aandelen verkregen door de inbreng van de onroerende goederen in BV Z wordt belast als een schenking van onroerende goederen, aan het progressieve tarief van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb26004">VB 26004 — Inbreng onroerend goed in huwgemeenschap gevolgd door schenking</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1950) en mevrouw Y (geboren 1952) zijn gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen en hebben één dochter, mevrouw Z (geboren 1975). Mevrouw Y verkreeg de gezinswoning in 1997 via een bijzonder legaat. De echtgenoten zijn er vrijwel meteen ingetrokken en bewonen de woning sindsdien bijna 30 jaar als gezinswoning. Alle onderhouds-, herstellings- en renovatiekosten werden steeds betaald met gemeenschappelijke gelden. In 1997 gingen de echtgenoten samen een hypothecair krediet aan voor de betaling van de erfbelasting, en in 2011 een tweede krediet voor de plaatsing van zonnepanelen; beide kredieten werden volledig terugbetaald met gemeenschappelijke gelden.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij huwelijksovereenkomst van 2025 brengt mevrouw Y de gezinswoning in in de huwgemeenschap, zonder recht van terugname bij ontbinding van het stelsel. Kort nadien wensen de echtgenoten de gezinswoning in blote eigendom te schenken aan hun dochter, met voorbehoud van vruchtgebruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Maakt de inbreng van de gezinswoning in de huwgemeenschap, gevolgd door de schenking door beide echtgenoten aan de dochter, fiscaal misbruik uit?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik wegens ontwijking van de progressiviteit van de schenkbelasting voor onroerende goederen (artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 VCF). Door de woning kort voor de schenking in de huwgemeenschap in te brengen, wordt de schenking gesplitst over twee schenkers, wat aanleiding geeft tot een lagere belasting door de progressiviteit te doorbreken. De omzendbrief VLABEL/2015/1 van 16 februari 2015 kwalificeert deze constructie uitdrukkelijk als een vermoeden van fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De aangevoerde niet-fiscale motieven — het in overeenstemming brengen van de juridische werkelijkheid met de feitelijke situatie, de betaling van gemeenschappelijke kredieten, de bescherming van X als niet-inbrengende echtgenoot — overtuigen niet. De echtgenoten hadden de mogelijkheid om de feitelijke situatie al in 1997 juridisch te regulariseren. Dat zij dit pas doen kort voor de schenking, wijst op eenheid van opzet.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij de schenking aan de dochter wordt schenkbelasting geheven alsof de inbreng in de huwgemeenschap niet heeft plaatsgehad, dit wil zeggen op de schenking door de inbrengende echtgenote (mevrouw Y) voor de geheelheid van het goed, aan het progressieve tarief van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 3: SCHENKING MET LAST</h2>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25133">VB 25133 — Schenking met last — kwalificatie</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1960) en mevrouw Y (geboren 1962) hebben drie kinderen: A (geboren 1994), B (geboren 1991) en C (geboren 1993). Zij wensen een hoevewoning met aanhorigheden en landbouwgronden, met een totale geschatte waarde van € 1.148.117, te schenken aan hun zoon A in volle eigendom. Aan de schenking worden lasten verbonden: A moet een som betalen aan de schenkers zelf, en een som aan elk van zijn twee zussen B en C als onrechtstreekse schenking op voorschot van erfdeel. Na aftrek van alle lasten behoudt A een substantieel netto-voordeel. Voor de landbouwgronden wordt een vrijstelling gevraagd op grond van artikel 2.8.6.0.3, §1 VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert de voorgenomen verrichting als een schenking, dan wel als een overdracht onder bezwarende titel?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel bevestigt dat de verrichting in haar geheel als een schenking kwalificeert. Een schenking met last blijft een schenking wanneer de waarde van de last lager is dan die van de geschonken goederen, zodat de verrichting voor de hoofdbegiftigde een netto-voordeel oplevert. In casu houdt A na uitvoering van alle lasten een substantieel netto-voordeel. Bovendien is het begiftigingsinzicht (animus donandi) bij de schenkers aanwezig. De verrichting vormt geen fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De schenking wordt onderworpen aan schenkbelasting. De last ten gunste van B en C wordt in hun hoofde als een afzonderlijke schenking belast overeenkomstig artikel 2.8.3.0.1, §3 VCF. Voor de landbouwgronden kan de vrijstelling voor familiale ondernemingen van artikel 2.8.6.0.3, §1 VCF worden toegepast indien aan de voorwaarden is voldaan op het ogenblik van de schenking.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 4: SCHENKING EN TOEPASSING VERLAAGD RECHT ENIGE EIGEN WONING</h2>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25123">VB 25123 — Schenking vruchtgebruik verhinderend onroerend bezit gevolgd door aankoop enige eigen woning</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Mevrouw X (geboren 1996) en de heer Y (geboren 1997) zijn wettelijk samenwonend. Zij zijn samen in volle eigendom eigenaar van een appartement (aangekocht in 2021), waarin de vader van mevrouw X, de heer Z (geboren 1957), woont op basis van een mondelinge overeenkomst. Mevrouw X is daarnaast blote eigenaar van de voormalige gezinswoning van haar vader, waarvan Z het vruchtgebruik heeft.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Die woning vereist een ingrijpende totaalrenovatie. De EPC-score, de elektriciteitskeuring en de algemene staat van de woning tonen aan dat de renovatiekosten zowel financieel als fysiek niet haalbaar zijn voor mevrouw X en de heer Y. Mevrouw X heeft bovendien zelf een medische beperking (66% invaliditeit), waardoor een dergelijke renovatie praktisch niet uitvoerbaar is. De heer Z kon de woning overigens al geruime tijd niet meer bewonen wegens zijn eigen mobiliteitsproblemen en medische toestand (eveneens 66% invaliditeit), wat de aanleiding was voor de aankoop van het appartement in 2021.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Om die reden wensen mevrouw X en de heer Y de gezinswoning te verkopen en een nieuwe, toegankelijkere woning aan te kopen. Bij verkoop van de gezinswoning zou de heer Z zijn vruchtgebruik verliezen. Om hem een kosteloze en juridisch beschermde woonzekerheid te bieden, wensen mevrouw X en de heer Y kort voor de aankoop van de nieuwe woning het vruchtgebruik van hun appartement te schenken aan de heer Z. Hierdoor zouden zij op het ogenblik van de nieuwe aankoop niet langer de geheelheid in volle eigendom van een woning bezitten, en zouden zij aanspraak kunnen maken op het verlaagde tarief van 2% (artikel 2.9.4.2.11 VCF) in plaats van het algemene tarief van 12%.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Maakt de schenking van het vruchtgebruik van het appartement, kort gevolgd door de aankoop van een nieuwe woning tegen het verlaagde tarief van 2%, fiscaal misbruik uit?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik uitmaken wegens ontwijking van artikel 2.9.4.2.11 VCF. Het verlaagde tarief van 2% is uitsluitend bedoeld voor kopers van een enige eigen woning. Door kort voor de aankoop het vruchtgebruik van het appartement weg te schenken, plaatsen mevrouw X en de heer Y zich op een kunstmatige manier in de doelgroep van eerste kopers, terwijl zij de blote eigendom van het appartement behouden. Bij overlijden van de heer Z of bij afstand van zijn vruchtgebruik zouden zij opnieuw volle eigenaar worden.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De aangevoerde niet-fiscale motieven overtuigen niet. De woonzekerheid van de heer Z was al jarenlang geregeld via een mondelinge overeenkomst zonder problemen. De renovatienood motiveert enkel de beslissing om te verhuizen, maar niet de keuze om het vruchtgebruik van het appartement kort voor de nieuwe aankoop weg te schenken. Niets belette de partijen bovendien om bij de aankoop van het appartement in 2021 reeds een juridische regeling te treffen voor de woonzekerheid van de heer Z.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de aankoop van de nieuwe woning is het algemene tarief van 12% verkooprecht verschuldigd. Met de voorafgaande schenking van het vruchtgebruik wordt geen rekening gehouden.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 5: VERWERPING NALATENSCHAP GEVOLGD DOOR SCHENKING</h2>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/vb25130">VB 25130 — Verwerping nalatenschap gevolgd door schenking</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X en mevrouw Y zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel en hebben drie kinderen: A, B en C. Dochter C overleed in 2025, testamentloos en zonder afstammelingen. Op basis van de wettelijke devolutie kwamen de ouders elk voor 1/4 en broer A en zus B elk voor 1/4 in aanmerking. Bij notariële akte verwierpen A, B en de twee kinderen van B (D en E) de nalatenschap, waardoor de gehele nalatenschap in volle eigendom toekwam aan de ouders X en Y. De erfbelasting werd correct betaald.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De ouders wensen nadien een schenking te doen aan de verwerpers (A, B, D en E) ten belope van een bedrag dat gelijk is aan het roerend vermogen dat zij reeds vóór het overlijden van C bezaten. Dat vermogen staat op een afzonderlijke rekening, strikt gescheiden van de nalatenschapsgelden en de verkoopopbrengst van het onroerend goed uit de nalatenschap (die nog op een derdenrekening van de notaris staat). De aanvragers betogen dat er geen eenheid van opzet is tussen de verwerping en de schenking, nu de geschonken gelden aantoonbaar uit hun eigen vermogen van vóór het overlijden stammen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Maakt de schenking van eigen vermogen van vóór het overlijden, gedaan aan de verwerpers van de nalatenschap, fiscaal misbruik uit?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel oordeelt dat de opeenvolgende verrichtingen als geheel fiscaal misbruik uitmaken wegens ontwijking van artikel 2.7.4.1.1, §1 VCF (de progressieve tarieven in de erfbelasting op basis van verwantschap). De constructie — verwerping gevolgd door schenking aan de verwerpers — heeft als doel dat de nalatenschap via de ouders (rechte lijn, laag tarief) wordt veredeld, terwijl de verwerpers de waarde ervan via een schenking toch ontvangen. De herkomst van de geschonken gelden is daarbij niet doorslaggevend: ook al stammen de geschonken gelden aantoonbaar uit het eigen vermogen van de ouders van vóór het overlijden, de verrichtingen werden van meet af aan op elkaar afgestemd en vormen een ondeelbare keten. Eenheid van opzet wordt weerhouden. De verwerpers halen geen niet-fiscale motieven aan.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De schenkbelasting op de schenking wordt niet toegepast. De erfbelasting wordt herberekend alsof de verwerpingen nooit hebben plaatsgevonden, aan de tarieven die gelden voor de verwerpende erfgenamen overeenkomstig artikel 2.7.4.1.1, §1 VCF.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 6: ADMINISTRATIEVE STANDPUNTEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/sp21055">SP 21055 — Passief t.g.v. fiscale regularisatie — Aanvaardbaarheid</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph">Dit standpunt vervangt de versie van 1 oktober 2021 en keert het eerdere standpunt om.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Wanneer erfgenamen niet-aangegeven buitenlandse inkomsten van de overledene voor de personenbelasting regulariseren, wordt de daaruit voortvloeiende regularisatieheffing voortaan opnieuw aanvaard als passief van de nalatenschap, mits voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.7.3.4.1, vierde lid VCF. Hetzelfde geldt voor een regularisatie die werd ingediend door de erflater zelf maar waarbij de betaling van de regularisatieheffing gebeurde door de erfgenamen. De aftrekmogelijkheid is van toepassing op regularisatieheffingen geheven en betaald met toepassing van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, ongeacht de datum van het openvallen van de nalatenschap.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<h3 class="wp-block-heading"><a href="https://www.vlaanderen.be/vlaamse-belastingdienst/sp15172">SP 15172 — Verdeelrecht bij verdelingen naar aanleiding van echtscheiding of beëindigen wettelijk samenwonen</a></h3>



<p class="wp-block-paragraph">Dit standpunt vervangt de versie van 21 december 2015. De inhoud blijft ongewijzigd.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het verlaagde verdeelrecht van 1% (in plaats van het gewone tarief van 2,5%) is van toepassing op verdelingen en afstanden tussen ex-echtgenoten na echtscheiding, en tussen ex-wettelijk samenwonenden binnen drie jaar na beëindiging van de wettelijke samenwoning (mits minstens één jaar ononderbroken wettelijke samenwoning). De regeling is van toepassing op overeenkomsten gesloten vanaf 1 januari 2016, alsook op een aantal overgangsgevallen (overeenkomsten van vóór 1 januari 2016 waarbij een opschortende voorwaarde zich na die datum vervult, of waarbij een optie na die datum wordt gelicht).</p>



<p class="wp-block-paragraph">June, 16 juni 2026.</p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Publicaties Vlabel februari 2026</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-februari-2026/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 11 Apr 2026 05:11:37 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3235</guid>

					<description><![CDATA[In de maand februari 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst één relevante voorafgaande beslissing over successieplanning. Daarnaast werden vier vonnissen en arresten gepubliceerd die voor de successieplanning bijzonder relevant zijn. We behandelen beide in dit overzicht. THEMA 1: VOORAFGAANDE BESLISSINGEN VB 25125: Omvorming Nederlands huwelijksstelsel naar Belgisch recht met verblijvings- en toekenningsbedingen – geen fiscaal misbruik [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand februari 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst één relevante voorafgaande beslissing over successieplanning. Daarnaast werden vier vonnissen en arresten gepubliceerd die voor de successieplanning bijzonder relevant zijn. We behandelen beide in dit overzicht.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 1: VOORAFGAANDE BESLISSINGEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25125: Omvorming Nederlands huwelijksstelsel naar Belgisch recht met verblijvings- en toekenningsbedingen – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X en Y zijn in 1989 gehuwd onder het Nederlands stelsel van uitsluiting van elke gemeenschap, aangevuld met een periodiek verrekenbeding van inkomsten. Zij hebben twee gemeenschappelijke kinderen, waarvan één zorgbehoevend. Beiden hebben de Nederlandse nationaliteit en wonen reeds vele jaren in Vlaanderen. Zij zullen niet terugkeren naar Nederland.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten wensen hun huwelijksovereenkomst om te vormen naar Belgisch recht en een Belgisch stelsel van scheiding van goederen aan te nemen. Tegelijk wensen zij een optioneel verblijvingsbeding toe te voegen voor alle goederen die tussen hen in onverdeeldheid zijn en een optioneel toekenningsbeding voor bepaalde categorieën eigen goederen die tijdens het huwelijk zijn verkregen (rekeningen en beleggingen, onroerende goederen, lichamelijke en onlichamelijke roerende goederen). In geval van echtscheiding voorzien zij ook in een billijkheidsclausule, maar die maakt niet het voorwerp uit van de rulingaanvraag.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de omvorming van het huwelijksstelsel met toevoeging van een verblijvingsbeding en een toekenningsbeding fiscaal misbruik? Kwalificeren de bedingen als huwelijksvoordelen? Is artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF van toepassing op het toekenningsbeding?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting verschuldigd is op de uitwerking van de bedingen. De wijziging van het huwelijksstelsel en de toevoeging van een verblijvings- en toekenningsbeding maken geen fiscaal misbruik uit. De echtgenoten waren reeds gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen. De omvorming is ingegeven door hun definitieve vestiging in België en de wens om een uniforme vermogensplanning naar Belgisch recht uit te werken, zodat onduidelijkheden over het toepasselijke recht bij overlijden worden vermeden.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het toekenningsbeding creëert geen schuld in de nalatenschap, maar een zakenrechtelijke aanspraak. Artikel 2.7.3.4.1, 1°, tweede volzin VCF is dan ook niet van toepassing.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De bijzondere niet-fiscale motieven spelen een rol volgens Vlabel. Eén van de kinderen is zorgbehoevend en zal levenslang ondersteuning nodig hebben. De reservebestendigheid van het huwelijksvoordeel is cruciaal: zolang het voordeel de grenzen van artikel 2.3.57 BW niet overschrijdt, kunnen de kinderen noch opname in de rekenboedel noch aanrekening op het beschikbaar deel vragen. Zo kunnen de echtgenoten garanderen dat de langstlevende steeds voldoende middelen heeft om in de zorg van hun kind te voorzien.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De wijziging van het huwelijksstelsel en de toevoeging van de bedingen geven geen aanleiding tot erfbelasting of schenkbelasting.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 2: VONNISSEN EN ARRESTEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">Waardering aandelen patrimoniumvennootschap – intrinsieke methode, geen liquidatiebonus, gespreide taxatie (Hof van Beroep Gent, 9 december 2025)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De erfgenamen van een overledene gaven aandelen in twee passieve vastgoedvennootschappen aan in de nalatenschap. Zij hanteerden een gemengde methode: 90% intrinsieke waarde en 10% EBITDA-waarde. Voor de latente belasting op de meerwaarden pasten zij een tarief van 25% toe. Vlabel betwistte zowel de waarderingsmethode als het belastingtarief en vestigde aanvullende aanslagen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Welke waarderingsmethode is correct voor passieve vastgoedvennootschappen? Moet rekening worden gehouden met de belasting bij vereffening? Welk belastingtarief geldt voor de latente belasting op meerwaarden?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Het Hof van Beroep te Gent bevestigt de aanvullende aanslagen van Vlabel op drie punten.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Voor passieve vastgoedvennootschappen zonder eigen handelsactiviteit is de intrinsieke waarderingsmethode de enige correcte methode. Een EBITDA-correctie is niet verantwoord. Huurinkomsten uit passieve verhuur beïnvloeden de waarde van het vastgoed niet rechtstreeks.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De vennootschappen waren going concern op het moment van overlijden. Er is geen enkele reden om bij de waardering rekening te houden met de belasting die verschuldigd zou worden bij vereffening. Roerende voorheffing en vennootschapsbelasting bij ontbinding zijn niet zeker en vaststaand.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij de waardering moet rekening worden gehouden met het meest waarschijnlijke scenario, niet met het scenario dat de hoogste belastingdruk oplevert. Aangezien de vennootschappen going concern waren en in het verleden reeds gebruik hadden gemaakt van de gespreide taxatie (artikel 47 WIB92), is gespreide taxatie het meest waarschijnlijke scenario. Vlabel paste terecht een verdisconteerd tarief van 15,33% toe (25% over 30 jaar aan een discontovoet van 3,5%).</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Het hoger beroep van de erfgenamen is ongegrond en de aanvullende aanslagen worden bevestigd.</p>



<h3 class="wp-block-heading">Managementdiensten aan derden zijn reële economische activiteit – gunsttarief familiale vennootschappen (Rechtbank van Eerste Aanleg Gent, 27 januari 2026)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">W C BV verleent managementdiensten en adviesverlening aan derden (geen dochtervennootschappen) op het vlak van management en marketing. De vergoedingen zijn gekoppeld aan het behalen van omzetdoelstellingen en groei-targets. Vlabel weigerde het verlaagd tarief voor familiale vennootschappen omdat de vennootschap geen nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit zou uitoefenen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert W C BV als familiale vennootschap? Heeft zij een reële economische activiteit?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De rechtbank maakt een cruciaal onderscheid. Een klassieke managementvennootschap die uitsluitend een bestuursmandaat uitoefent voor verbonden vennootschappen kwalificeert niet als familiale vennootschap. W C BV verleent haar managementdiensten echter aan derden op de markt. Dat is een reële handelsactiviteit die het passief beheer van participaties overstijgt. De vennootschap kwalificeert dan ook als familiale vennootschap.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Hoewel de twee parameters (te weinig loonkosten, te veel vastgoed) een wettelijk vermoeden van geen reële economische activiteit in het leven riepen, slaagde de belastingplichtige erin het tegenbewijs te leveren. De vennootschap treedt in concurrentie met andere marktdeelnemers en verleent daadwerkelijk diensten op duurzame wijze.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Het verlaagd tarief van artikel 2.7.4.2.2 VCF is van toepassing en de aanslagen worden herzien.</p>



<h3 class="wp-block-heading">Bankgift niet uitgevoerd vóór overlijden – geen schenking, geen passief in nalatenschap (Hof van Beroep Gent, 9 december 2025)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">X ondertekende op 30 oktober 2020 twee pacte adjoints en een volmacht tot het uitvoeren van een bankgift. Zij overleed vijf dagen later op 1 november 2020. De overschrijvingen waren op het moment van overlijden nog niet uitgevoerd. De begiftigden voerden de niet-uitgevoerde bedragen op als passief in de aangifte van nalatenschap, als vordering wegens niet-uitvoering van de schenkingen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de pacte adjoints en de volmacht tot het uitvoeren van een bankgift een geldige schenking als de overschrijvingen niet zijn uitgevoerd vóór het overlijden?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Neen. Een bankgift is een onrechtstreekse schenking die tot stand komt door de effectieve overschrijving. Een pacte adjoint is slechts het bewijsdocument aposteriori van een reeds voltrokken bankgift. Documenten die stellen het bewijs te vormen van een reeds uitgevoerde schenking, maar waarvan blijkt dat de schenking op dat ogenblik nog niet was uitgevoerd, bewijzen niet dat de erflaatster de bedragen heeft geschonken.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Het feit dat Vlabel op zicht van de geregistreerde documenten schenkbelasting heeft geheven, laat zijn bevoegdheid onverlet om de geldigheid van de schenking te betwisten teneinde tot een correcte heffing in de erfbelasting te komen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De niet-uitgevoerde bedragen worden terecht verworpen als passief in de nalatenschap en de erfgenamen kunnen geen vordering laten gelden wegens niet-uitvoering van de vermeende schenkingen.</p>



<h3 class="wp-block-heading">Vastgoedactiviteiten die passief beheer overstijgen zijn reële economische activiteit – vrijstelling schenkbelasting familiale vennootschappen (Rechtbank van Eerste Aanleg Gent, 27 januari 2026)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">I.V. NV bezit en verhuurt diverse onroerende goederen: appartementen, een handelspand, studios, een studentenkot en een tennishal. De vennootschap realiseert exploitatieopbrengsten van circa €300.000 per jaar, heeft de afgelopen 20 jaar bijna €780.000 geïnvesteerd in grote herstellingen en bijna €510.000 in de tennishal, een appartementsgebouw verkocht en met de opbrengst nieuwbouw opgericht. Grootmoeder en moeder schonken aandelen aan de (klein)kinderen. Vlabel weigerde de vrijstelling voor familiale vennootschappen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Heeft I.V. NV een reële economische activiteit in de zin van artikel 2.8.6.0.3 VCF?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Ja. De rechtbank maakt twee belangrijke vaststellingen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Vastgoedactiviteiten zijn niet per definitie uitgesloten van het begrip reële economische activiteit. Door vastgoed principieel uit te sluiten, voegt Vlabel een voorwaarde toe aan de wet. Vastgoedactiviteiten die het louter passief beheer overstijgen en op duurzame wijze een maatschappelijke meerwaarde genereren, zijn een reële economische activiteit. I.V. NV investeert actief, herbeleegt, neemt investeringskredieten op en onderhoudt haar patrimonium intensief.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Bovendien hoeft de belastingplichtige niet aan te tonen dat de reële economische activiteit de exclusieve activiteit is. Evenmin voorziet de wet in een proportionele vrijstelling. Het volstaat dat een reële economische activiteit aanwezig is.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De vrijstelling schenkbelasting is van toepassing en de aanslagen worden herzien.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">June, 11 april 2026</p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Publicaties Vlabel Januari 2026 &#8211; Deel 2 &#8211; Huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-januari-2026-huwelijksvoordelen-bij-scheiding-van-goederen/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Thu, 26 Mar 2026 15:42:43 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3231</guid>

					<description><![CDATA[In de maand januari 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst tien voorafgaande beslissingen over huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen. Dit thema domineert de publicaties van januari. Alle tien beslissingen zijn positief. We vatten ze hieronder samen aan de hand van de volgende thema&#8217;s: (1) Uitbreng uit TIGV gevolgd door keuzebeding voor onverdeelde eigen goederen, (2) Eenzijdige [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand januari 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst tien voorafgaande beslissingen over huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen. Dit thema domineert de publicaties van januari. Alle tien beslissingen zijn positief. We vatten ze hieronder samen aan de hand van de volgende thema&#8217;s: (1) Uitbreng uit TIGV gevolgd door keuzebeding voor onverdeelde eigen goederen, (2) Eenzijdige toekenningsbedingen, (3) Wederkerige verblijvings- en toekenningsbedingen en (4) Internationaal: keuze voor Belgisch huwelijksvermogensrecht.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 1: UITBRENG UIT TIGV GEVOLGD DOOR KEUZEBEDING VOOR ONVERDEELDE EIGEN GOEDEREN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25078: Uitbreng uit TIGV + keuzebeding voor onverdeelde eigen goederen – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X en Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. In 2021 voegden zij een beperkte gemeenschap (TIGV) toe met daarin één handelspand, ingebracht door de heer X. Thans wensen de echtgenoten dit pand uit het TIGV te halen. Na de uitbreng houden beide echtgenoten het pand elk voor een onverdeelde helft aan. Aansluitend wensen zij een keuzebeding toe te voegen voor alle onverdeelde eigen goederen tussen hen, met name een voorafname en ongelijke toebedeling. Dit is geen klassiek keuzebeding voor gemeenschappelijke goederen, maar een keuzebeding dat uitwerking heeft op onverdeelde eigen goederen van de echtgenoten.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Wordt op de uitbreng het verdeelrecht geheven? Vormt de combinatie van uitbreng en keuzebeding fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Op de uitbreng is geen verdeelrecht verschuldigd. Aangezien de uitbreng niet tot gevolg heeft dat aan een echtgenoot meer dan de helft van het uitgebrachte goed wordt toebedeeld, valt de verrichting niet binnen het toepassingsgebied van het verdeelrecht. Artikel 2.7.1.0.4 VCF is evenmin van toepassing op het keuzebeding voor onverdeelde eigen goederen, aangezien dit geen betrekking heeft op gemeenschapsgoederen. Er is ook geen fiscaal misbruik. Eerdere beslissingen van Vlabel tolereren het naast elkaar bestaan van een keuzebeding voor gemeenschappelijke goederen én een keuzebeding voor onverdeeldheden niet. De echtgenoten zijn dan ook genoodzaakt om één van beide pistes te kiezen. Door het TIGV te ledigen en consequent te kiezen voor hun basisstelsel van scheiding van goederen, handelen zij in lijn met die rechtspraak. Die keuze is ingegeven door niet-fiscale motieven: het behoud van hun vermogensrechtelijke autonomie en de bescherming tegen elkaars schuldeisers.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen verdeelrecht op de uitbreng. Geen fiscaal misbruik.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 2: EENZIJDIGE TOEKENNINGSBEDINGEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25094: Eenzijdig optioneel toekenningsbeding – effectenportefeuille maximaal €2.000.000</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (geboren 1962) en Y (geboren 1963) zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen. Zij hebben vijf meerderjarige gemeenschappelijke kinderen. De echtgenoten wensen een optioneel toekenningsbeding toe te voegen, uitsluitend ten voordele van Y bij vooroverlijden van X. Het voorwerp van het beding betreft de gelden en effecten op de effectenportefeuille van X bij een bepaalde bank, ten belope van maximaal €2.000.000. Het vermogen van X bestaat hoofdzakelijk uit familievermogen dat reeds grotendeels is geschonken aan de kinderen. In dat kader doet Y afstand van haar inkortingsvorderingen op die eerdere schenkingen. Er wordt ook een subsidiaire lijfrenteovereenkomst voorzien tussen X en zijn kinderen met een beding ten behoeve van Y, voor het geval het toekenningsbeding onvoldoende soelaas zou bieden.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert het beding als huwelijksvoordeel? Is er fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting verschuldigd is op de uitwerking van het eenzijdig toekenningsbeding. Evenmin is er sprake van fiscaal misbruik. Het beding kadert binnen een bredere regeling waarbij Y afstand doet van haar erfrechtelijke aanspraken op het familievermogen, in ruil voor een billijke huwelijksvermogensrechtelijke bescherming bij overlijden van X.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op het toekenningsbeding.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25112: Eenzijdig optioneel toekenningsbeding – aandelen holdingvennootschap (continuïteit beroepsactiviteit)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (geboren 1976) en Y (geboren 1977) zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen. Zij hebben twee gemeenschappelijke meerderjarige kinderen. Mevrouw Y baat haar beroepsactiviteit uit via BV D, waarvan de aandelen (op één na) worden aangehouden door BV C. Alle aandelen BV C behoren toe aan mevrouw Y. Zij werden gefinancierd met eigen beroepsinkomsten sedert het huwelijk en kwalificeren als aanwinsten. Het toekenningsbeding heeft uitsluitend betrekking op de aandelen BV C, ten voordele van de heer X bij vooroverlijden van mevrouw Y.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert het beding als huwelijksvoordeel? Is er fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting verschuldigd is op de uitwerking van het eenzijdig toekenningsbeding. Evenmin is er sprake van fiscaal misbruik. De niet-fiscale motieven zijn nauwkeurig omschreven. Mevrouw Y wenst de continuïteit van haar beroepsactiviteit te verzekeren en te vermijden dat de kinderen na haar overlijden inspraak krijgen in de vennootschap. Het vermogen van de heer X bestaat hoofdzakelijk uit onroerende goederen. Bij een erfrechtelijke verrekening zou hij gedwongen worden onroerend goed te verkopen om de kinderen in waarde uit te betalen, hetgeen de echtgenoten willen vermijden. Omdat de aandelen BV C als aanwinsten kwalificeren, zijn ze volledig reservebestendig via het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op het toekenningsbeding.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25119: Eenzijdig optioneel toekenningsbeding – managementvennootschap en beleggingsportefeuilles (bescherming jonge kinderen)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (geboren 1974) en Y (geboren 1979) zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen met een beperkt gemeenschappelijk vermogen (gezinswoning en gezamenlijke aankopen) waaraan een keuzebeding is gekoppeld. Zij hebben vier gemeenschappelijke minderjarige kinderen. Het eigen vermogen van X is aanzienlijk gestegen sedert de huwelijkssluiting. Het toekenningsbeding heeft betrekking op de aandelen van de managementvennootschap van X en zijn beleggingsportefeuilles. De aandelen van drie andere NV&#8217;s kunnen niet in het beding worden opgenomen, omdat zij via schenkingen werden verkregen waaraan een uitsluitingsclausule als last werd gekoppeld.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert het beding als huwelijksvoordeel? Zijn de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3 3°, 2.7.1.0.4 en 2.7.1.0.5 VCF van toepassing? Is er fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting verschuldigd is op de uitwerking van het eenzijdig toekenningsbeding. Evenmin is er sprake van fiscaal misbruik. De niet-fiscale motieven zijn nauwkeurig omschreven. Het eigen vermogen van X is aanzienlijk en de vier kinderen zijn op heden nog te jong om dergelijk vermogen op adequate wijze te beheren. Het beding biedt Y als langstlevende een zakelijke aanspraak op de goederen, zonder tussenkomst van de kinderen. De aandelen van de managementvennootschap kwalificeren als aanwinsten en zijn om die reden volledig reservebestendig via het toekenningsbeding als huwelijksvoordeel. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan wel van toepassing zijn op het bestaande TIGV indien meer dan de helft daarvan aan de langstlevende wordt toebedeeld.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op het toekenningsbeding.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 3: WEDERKERIGE VERBLIJVINGS- EN TOEKENNINGSBEDINGEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25093: Wederkerig optioneel toekenningsbeding – alle eigen goederen (scheiding van goederen met TIGV)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (geboren 1955) en Y (geboren 1957) zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen sedert 1981. In 2010 voegden zij een TIGV toe (gezinswoning en een tweede onroerend goed) met keuzebeding. Zij hebben drie gemeenschappelijke meerderjarige kinderen. Thans wensen zij een optioneel wederkerig toekenningsbeding toe te voegen voor alle exclusief eigen goederen van beide echtgenoten. De goederen van X bestaan uit een beleggingsrekening en een rekening-courant. De goederen van Y bestaan uit drie beleggings- en effectenrekeningen, aandelen in twee vennootschappen en een rekening-courant.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert het beding als huwelijksvoordeel? Is er fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting en geen schenkbelasting verschuldigd is op de uitwerking van het wederkerig toekenningsbeding. Evenmin is er sprake van fiscaal misbruik. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan wel van toepassing zijn op het TIGV indien meer dan de helft daarvan aan de langstlevende wordt toebedeeld. De inbreng in het TIGV dateert van 2010, dit is vijftien jaar geleden. Er kan dan ook geen eenheid van opzet worden aangenomen met het nu voorgenomen toekenningsbeding.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op het toekenningsbeding.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25103: Wederkerig optioneel verblijvings- en toekenningsbeding – alle goederen (geen kinderen, verstoorde familiale verstandhouding)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (geboren 1968) en Y (geboren 1970) zijn gehuwd onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen sedert 1999. Zij hebben geen kinderen. De familiale verstandhouding langs beide familiezijden is verstoord. De echtgenoten bezitten diverse onverdeelde goederen en eigen goederen. Zij wensen een optioneel verblijvingsbeding toe te voegen voor alle onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor alle eigen goederen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeren de bedingen als huwelijksvoordelen? Is er fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting verschuldigd is op de uitwerking van de bedingen. Evenmin is er sprake van fiscaal misbruik. De niet-fiscale motieven zijn nauwkeurig omschreven. Zonder regeling zou de langstlevende in onverdeeldheid komen met de schoonfamilie, met wie de verstandhouding verstoord is. Een testament is eenzijdig herroepbaar en biedt onvoldoende zekerheid. De bedingen bieden de langstlevende daarentegen een onmiddellijke en zakelijke aanspraak op de goederen, zonder inmenging van anderen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op de bedingen.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25104: Wederkerig optioneel verblijvings- en toekenningsbeding – bepaalde roerende goederen (niet-gemeenschappelijk kind onder rechterlijk bewind)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X en Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen sedert 2009. Zij hebben samen geen gemeenschappelijke kinderen. De heer X heeft een kind uit een vorige relatie dat kampt met een ernstige drugsverslaving en onder rechterlijk bewind is geplaatst. Het verblijvingsbeding heeft betrekking op alle onverdeelde goederen. Het toekenningsbeding heeft betrekking op welbepaalde eigen roerende goederen van elk van de echtgenoten: zicht-, spaar- en effectenrekeningen, aandelen in vennootschappen, rekening-couranten en vorderingen. Onroerende goederen worden niet in het toekenningsbeding opgenomen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeren de bedingen als huwelijksvoordelen? Is er fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting verschuldigd is op de uitwerking van de bedingen. Evenmin is er sprake van fiscaal misbruik. De situatie van het kind van de heer X is een bijzonder concreet niet-fiscaal motief. De echtgenoten willen de langstlevende beschermen tegen de reservataire aanspraken van dat kind. Daarvoor kiezen zij bewust voor een regeling die niet eenzijdig herroepbaar is. Ook voor onvolkomen huwelijksvoordelen, waarbij het voordeel de grenzen van artikel 2.3.57 BW overschrijdt, aanvaardt Vlabel de fiscale gevolgen als huwelijksvoordeel.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op de bedingen.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25105: Wederkerig optioneel verblijvings- en toekenningsbeding – alle goederen (eerder finaal verrekenbeding geschrapt)</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (geboren 1955) en Y (geboren 1956) zijn oorspronkelijk gehuwd onder een Nederlands stelsel (1981). In 2017 deden zij rechtskeuze voor Belgisch recht en voegden een finaal verrekenbeding toe. Dat verrekenbeding schrapten zij vervolgens in 2021. Zij hebben drie gemeenschappelijke meerderjarige kinderen, geen niet-gemeenschappelijke kinderen. Thans wensen zij een verblijvingsbeding toe te voegen voor de onverdeelde goederen (waaronder bancair vermogen) en een toekenningsbeding voor de eigen roerende en onroerende goederen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeren de bedingen als huwelijksvoordelen? Is er fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting en geen schenkbelasting verschuldigd is op de uitwerking van de bedingen. Evenmin is er sprake van fiscaal misbruik. De echtgenoten kozen eerder voor een finaal verrekenbeding, maar ervaren de werking ervan als te complex en te afhankelijk van de medewerking van erfgenamen. De bedingen bieden de langstlevende een onmiddellijke en zakelijke aanspraak op de goederen in natura. Dat is een veel comfortabelere positie dan het louter verbintenisrechtelijke karakter van een verrekenbeding.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op de bedingen.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25107: Wederkerig optioneel verblijvings- en toekenningsbeding + TIGV met gezinswoning</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X (geboren 1952) en Y (geboren 1957) zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen sedert 1977. Zij hebben drie meerderjarige kinderen. De grond waarop de gezinswoning is opgericht werd aangekocht door de heer X alleen. Nadien lieten de echtgenoten er met tegoeden van hen beiden constructies op optrekken. Mevrouw Y heeft op heden geen zakenrechtelijke aanspraak op de gezinswoning die zij mede heeft gefinancierd. De echtgenoten wensen hun huwelijkscontract te wijzigen door: (1) oprichting van een TIGV met daarin de gezinswoning en twee percelen grond, (2) een optioneel wederkerig verblijvingsbeding voor alle onverdeelde goederen, en (3) een optioneel wederkerig toekenningsbeding voor alle niet-onverdeelde eigen goederen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeren de bedingen als huwelijksvoordelen? Geldt de vrijstelling gezinswoning voor het TIGV? Is er fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting en geen schenkbelasting verschuldigd is op de uitwerking van de bedingen. Evenmin is er sprake van fiscaal misbruik. De inbreng van de gezinswoning in het TIGV is ingegeven door een nauwkeurig omschreven niet-fiscaal motief: de zakenrechtelijke eigendomsverhouding in lijn brengen met de achterliggende financiering. Bij overlijden van de eerststervende echtgenoot zal de vrijstelling voor de gezinswoning (artikel 2.7.4.1.1, §2, lid 3 VCF) van toepassing zijn, voor zover aan de voorwaarden is voldaan. Artikel 2.7.1.0.4 VCF kan van toepassing zijn indien meer dan de helft van het TIGV aan de langstlevende wordt toebedeeld.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op de bedingen. De vrijstelling gezinswoning is van toepassing op het TIGV.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 4: INTERNATIONAAL</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25120: Keuze voor Belgisch huwelijksvermogensrecht – scheiding van goederen met verblijvings- en toekenningsbedingen</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heren X (geboren 1973, Belgisch-Amerikaans) en Y (geboren 1957, Amerikaans) zijn gehuwd in 2015 in de Verenigde Staten, zonder huwelijkscontract. Zij hebben geen kinderen. Op basis van het Belgisch internationaal privaatrecht geldt het huwelijksvermogensstelsel van hun staat in de VS: een stelsel van scheiding van goederen waarbij gedurende het huwelijk geen gemeenschappelijk vermogen ontstaat. In 2025 verhuisden de heren definitief naar België. Zij wensen: (1) uitdrukkelijk rechtskeuze te doen voor het Belgisch recht en over te stappen naar een Belgisch stelsel van scheiding van goederen, en (2) een optioneel verblijvingsbeding toe te voegen voor alle onverdeelde goederen en een optioneel toekenningsbeding voor alle eigen niet-onverdeelde goederen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de omzetting van het huwelijksstelsel fiscaal misbruik? Kwalificeren de bedingen als huwelijksvoordelen?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel aanvaardt dat er geen erfbelasting verschuldigd is op de uitwerking van de bedingen. De omzetting naar het Belgisch recht maakt geen fiscaal misbruik uit. De echtgenoten waren reeds gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen. De omzetting is ingegeven door hun definitieve verhuis naar België en de wens om hun juridische positie af te stemmen op de Belgische context, zodat onduidelijkheden over het toepasselijke recht bij overlijden worden vermeden. De combinatie van de omzetting en de toevoeging van huwelijksvoordelen maakt evenmin fiscaal misbruik uit.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting of schenkbelasting op de omzetting en de bedingen.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">June, 7 maart 2026</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Publicaties Vlabel januari 2026 &#8211; DEEL I</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-januari-2026-deel-i/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 07 Mar 2026 16:29:24 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3228</guid>

					<description><![CDATA[In de maand januari 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst twintig voorafgaande beslissingen die relevant zijn voor de successie- en vermogensplanning. De overgrote meerderheid betreft huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, waarover wij een afzonderlijke publicatie zullen schrijven. In dit overzicht behandelen we de overige beslissingen aan de hand van de volgende thema&#8217;s: (1) Maatschappen, (2) Inbreng [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand januari 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst twintig voorafgaande beslissingen die relevant zijn voor de successie- en vermogensplanning. De overgrote meerderheid betreft huwelijksvoordelen bij scheiding van goederen, waarover wij een afzonderlijke publicatie zullen schrijven. In dit overzicht behandelen we de overige beslissingen aan de hand van de volgende thema&#8217;s: (1) Maatschappen, (2) Inbreng gevolgd door schenking, (3) Kanscontracten en (4) Varia.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 1: MAATSCHAPPEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25099: Oprichting maatschap met toekenning aandelen voor inbreng door mede-oprichter – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (geboren 1955), ongehuwd, richt samen met mevrouw Y (geboren 1962, zijn partner) en hun gezamenlijke dochter Z (geboren 1999) een maatschap op. Bij oprichting brengen alle drie €2.000 in: X ontvangt 2.000 aandelen klasse A, Y 2.000 aandelen klasse B, Z 2.000 aandelen klasse C. Daarnaast brengt X effectenrekeningen en een vordering in via inbreng ten behoeve van een derde: de aandelen hiervoor gaan rechtstreeks in volle eigendom naar de dochter Z (klasse C). De maatschap heeft een vaste duurtijd van dertig jaar. De zaakvoerders zijn Y en Z samen (collegiaal bestuur). X is geen zaakvoerder. X heeft enkel stemrecht in de algemene vergadering voor een limitatief opgesomde lijst van gevallen. Voor de meeste belangrijke beslissingen geldt unanimiteit, wat X een vetorecht geeft. De lijfrentelast is geplafonneerd op 50% van de geschonken waarde en maximaal €125.000 per kalenderjaar.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat er geen sprake is van fiscaal misbruik. De maatschap heeft een vaste duurtijd van dertig jaar en is dus niet gekoppeld aan het leven van X. X is geen zaakvoerder. De dochter wordt mede aangesteld als zaakvoerder naast haar moeder, waardoor de dochter actief deelneemt aan de beraadslagingen. Tegen beslissingen die de dochter en mevrouw Y gezamenlijk nemen over alle andere aangelegenheden van de maatschap, kan X in principe niets inbrengen. De lijfrentelast wordt geplafonneerd op 50% van de waarde van de schenking, waardoor er geen herkwalificatie naar een contract ten bezwarende titel zal plaatsvinden. Artikel 2.7.1.0.5 VCF blijft wel van toepassing voor de vijfjaarsperiode.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25101: Inbreng in maatschap gevolgd door notariële schenking aandelen maatschap – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Mevrouw X brengt roerende goederen in een nieuw op te richten maatschap B in: aandelen van vier vennootschappen (NV C, NV D, NV E, BV F), waarvoor reeds attesten van vrijstelling schenkbelasting werden bekomen, alsook drie beleggingsportefeuilles. De kinderen Y, Z en A brengen elk €100 in. Onmiddellijk daarna schenkt mevrouw X bij notariële akte haar aandelen in volle eigendom aan haar drie kinderen (behalve één aandeel). Mevrouw X is samen met (minstens) haar oudste zoon zaakvoerder. Beslissingen vereisen een meerderheid van de zaakvoerders. Mevrouw X kan niet alleen beslissen. De schenking gebeurt via notariële akte en is onderworpen aan schenkbelasting. De last is geplafonneerd op 75% van de waarde van de schenking.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat er geen sprake is van fiscaal misbruik. Gezien de schenking bij notariële akte plaatsvindt, is ze onderworpen aan schenkbelasting, waardoor artikel 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing zal zijn. De schenking van maatschapaandelen kan genieten van de vrijstelling in de schenkbelasting als familiale vennootschap indien de voorwaarden vervuld zijn, evenredig met de waarde van de aandelen van de familiale vennootschappen in het totaal van de activa die aan de maatschap zijn ingebracht.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 2: INBRENG GEVOLGD DOOR SCHENKING</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25050: Inbreng bedrijfssite in vennootschap gevolgd door schenking blote eigendom aandelen – fiscaal misbruik, maar niet-fiscale motieven volstaan</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Ouders X en Y bezitten een bedrijfssite (gronden en gebouwen) die zij verhuren aan hun vennootschap Z. De kinderen D en E zijn reeds voor 50/50 volle eigenaars van de aandelen van Z (via eerdere schenking) en voeren de operationele leiding. De voorgenomen verrichting: ouders brengen de bedrijfssite in vennootschap Z in, waarbij de nieuwe aandelen worden uitgegeven met vruchtgebruik voor X en Y en blote eigendom voor D en E (inbreng ten behoeve van een derde = onrechtstreekse schenking). De eigendomsstructuur van de bedrijfssite is verdeeld: constructies deels van de vennootschap (via recht van opstal) en deels van de ouders. De inplanting van gebouwen, wegenissen en andere constructies loopt over de perceelsgrenzen heen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de verrichting fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel stelt vast dat de constructie (inbreng onroerend goed + schenking aandelen) de progressiviteit van de schenkbelasting omzeilt en stelt technisch fiscaal misbruik vast. De niet-fiscale motieven worden echter aanvaard: samenbrengen eigendomsstructuur (directe zeggenschap, zekerheid gebruik op lange termijn, eigendomsstructuur over perceelsgrenzen heen), continuïteit bedrijfsvoering bij defungeren of overlijden van D of E. De beslissing blijft gelden zolang de onroerende goederen niet op korte termijn worden vervreemd en de aandelen niet aan derden worden verkocht. Schenkbelasting op roerende goederen, met vrijstelling in de schenkbelasting als familiale vennootschap indien voorwaarden vervuld.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25109: Inbreng onroerend goed in nieuw opgerichte vennootschap gevolgd door onrechtstreekse schenking – fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Ouders X (geboren 1951) en Y (geboren 1950) bezitten een nijverheidsgrond (84a 28ca) die reeds wordt verhuurd aan BV D (grond- en nivelleringswerken). Zoon A bezit 180/200 aandelen BV D. De voorgenomen verrichting: ouders brengen de grond in een nieuw op te richten NEWCO in via inbreng ten behoeve van een derde, waarbij de aandelen onmiddellijk in volle eigendom worden toegekend aan beide kinderen (elk 50%). BV D zal de grond verder huren van NEWCO als stockageplaats.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de verrichting fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik. De niet-fiscale motieven worden verworpen: bijkomende zekerheid voor BV D bestaat niet want het gebruik blijft afhankelijk van een huurovereenkomst, het ondernemingsrisico wordt niet aangetoond, gelijke behandeling van kinderen kan ook via rechtstreekse schenking met compensatie, en familiaal vermogen laten renderen vereist geen inbreng in nieuwe vennootschap.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De schenking van aandelen zal worden getaxeerd als een schenking van onroerend goed (progressief tarief).</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25113: Inbreng onroerend goed in vennootschap gevolgd door schenking aandelen – fiscaal misbruik, maar niet-fiscale motieven volstaan</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X brengt in 2022 onroerende goederen (landgebouw + percelen weiland, professioneel aangewend voor hoeveslagerij) in in BV Z tegen uitgifte van 330 aandelen. Circa drie jaar later wenst X deze 330 aandelen in volle eigendom te schenken aan zijn zoon Y, die reeds mede-aandeelhouder en mede-bestuurder is. De onroerende goederen werden vóór de inbreng reeds privé aangewend voor de bedrijfsexploitatie. Y is als enige van de kinderen actief in het familiebedrijf en wil het verderzetten.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de verrichting fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel stelt technisch fiscaal misbruik vast maar aanvaardt de niet-fiscale motieven: continuïteit familiebedrijf (Y actief in bedrijf, X wil zich terugtrekken) en centralisatie bedrijfsactiva in vennootschap (onroerende goederen reeds professioneel aangewend vóór inbreng). De beslissing blijft gelden zolang de onroerende goederen niet op korte termijn worden vervreemd en de aandelen niet aan derden worden verkocht. Schenkbelasting op roerende goederen, met vrijstelling in de schenkbelasting als familiale vennootschap indien voorwaarden vervuld.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25116: Inbreng huwgemeenschap gevolgd door schenking aan de kinderen met voorbehoud vruchtgebruik (en aanwas) – fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Echtgenoten X (geboren 1959) en Y (geboren 1969), gehuwd onder wettelijk stelsel, twee kinderen. Heer X brengt onroerende goederen (vijf percelen bouwgrond/grond) in de huwgemeenschap in. Onmiddellijk daarna schenken beide echtgenoten deze goederen aan de kinderen met voorbehoud van vruchtgebruik en aanwas in het voordeel van de langstlevende echtgenoot. Geen niet-fiscale motieven worden aangevoerd.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de verrichting fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik. De inbreng werd enkel verricht omwille van fiscale doeleinden volgens Vlabel. Er zal bij de schenking met last getaxeerd worden alsof de inbreng niet heeft plaatsgevonden. Bijzonder aan deze beslissing is de fiscale verwerking van de &#8220;aanwas&#8221; van het vruchtgebruik: abstractie wordt gemaakt van de inbreng. Fiscaal gezien gaat het volgens Vlabel om een terugval van voorbehouden vruchtgebruik op eigen goederen van de echtgenoot, als gevolg van de negatie van de inbreng. Bij het vooroverlijden van de inbrengende echtgenoot is hierop schenkbelasting verschuldigd door de langstlevende. Bij vooroverlijden van de andere echtgenoot behoudt de inbrenger gewoon zijn voorbehouden vruchtgebruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Fiscaal misbruik weerhouden. De schenking wordt getaxeerd alsof de inbreng niet heeft plaatsgevonden.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 3: KANSCONTRACTEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 24111: Beding van aanwas echtgenoten – positief, maar met belangrijk aandachtspunt voor optionele bedingen</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (69 jaar) en mevrouw Y (66 jaar) zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Zij hebben één kind. De echtgenoten wensen een beding van aanwas af te sluiten over drie nauwkeurig omschreven rekeningen: twee effectenrekeningen en één bankrekening, voor een totale waarde van €2.702.835,19. Elk van de echtgenoten is eigenaar van de onverdeelde helft. Het leeftijdsverschil bedraagt 2 jaar en 9 maanden. Beide echtgenoten verklaren in dezelfde goede gezondheidstoestand te verkeren.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert het beding van aanwas als een kanscontract ten bezwarende titel en ten bijzondere titel?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt positief. Het contract is onder bijzondere titel aangezien het betrekking heeft op nauwkeurig omschreven effectenrekeningen en een bankrekening. Het contract is ten bezwarende titel gelet op de gelijkaardige levensverwachting en de gelijkwaardige inleg. Vlabel verduidelijkt zoals steeds een belangrijk element voor optionele bedingen van aanwas. Een optioneel beding van aanwas is een beding onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van één van de partijen en van het lichten van de optie door de langstlevende. Een beding onder opschortende voorwaarde heeft, als het is opgesteld na 1 januari 2023, bij vervulling van de voorwaarde uitwerking voor de toekomst (artikel 5.147 BW). De roerende goederen die het voorwerp uitmaken van het optioneel beding van aanwas waarbij de optie wordt gelicht na het overlijden, zijn bijgevolg onderworpen aan de erfbelasting bij gebrek aan terugwerkende kracht. Indien het kanscontract evenwel voorziet in een terugwerking tot op het ogenblik van overlijden van de eerststervende, zoals in casu, zal er geen erfbelasting verschuldigd zijn.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geen erfbelasting en geen schenkbelasting, op voorwaarde dat het beding van aanwas terugwerking voorziet tot op het ogenblik van overlijden.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25118: Kanscontract echtgenoten – negatief wegens te algemene omschrijving voorwerp</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Mevrouw X (geboren 1958) en mevrouw Y (geboren 1961) zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Zij hebben geen kinderen. Het leeftijdsverschil bedraagt 3 jaar. De echtgenoten sloten een optioneel beding van aanwas voor een breed omschreven pakket onverdeelde roerende goederen: gelden op gemeenschappelijke bankrekeningen, beleggingsfondsen en effectenportefeuilles op beider namen, onverdeelde aandelen op naam, antieke meubelen, goudstukken, kunstvoorwerpen en schuldvorderingen op gezamenlijk opgerichte private stichtingen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert het beding van aanwas als een kanscontract ten bijzondere titel?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Negatief. Het voorwerp van het contract is te algemeen omschreven. De formulering &#8220;de onverdeelde roerende goederen die op het ogenblik van het overlijden tussen hen in onverdeeldheid zijn&#8221; laat toe dat een evenredig deel van alle roerende goederen of zelfs alle roerende goederen bij overlijden onder het contract vallen. De aanvragers verbinden zich op heden tot niets en de goederen kunnen wijzigen. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van bijzondere titel. Aangezien niet aan de voorwaarde van bijzondere titel is voldaan, gaat het besluitvormingsorgaan niet verder in op het bezwarende karakter van het contract.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel kan niet oordelen of erfbelasting of schenkbelasting verschuldigd zal zijn.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 4: VARIA</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25106: Schenking aandelen maatschap naar Nederlands recht – gedeeltelijk positief</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X is Belgisch rijksinwoner met Nederlandse nationaliteit. Hij is gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen naar Belgisch recht. Hij heeft één dochter Z. De heer X wenst aandelen van een Belgische maatschap A te schenken aan zijn dochter, met voorbehoud van vruchtgebruik. De schenking gebeurt naar Nederlands recht, via een onderhandse akte. De rechtskeuze voor Nederlands recht is geldig via de Rome I Verordening, gelet op internationale aanknopingspunten (Nederlandse nationaliteit, belangen in Nederland, Nederlands testament).</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Zijn schenkbelasting, erfbelasting en de fictiebepalingen van toepassing?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel kan geen uitspraak doen over de federale registratieplicht en dus ook niet over de schenkbelasting. In de mate dat de onderhandse schenking burgerrechtelijk geldig is, is er geen erfbelasting verschuldigd op grond van de artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF is niet van toepassing (geen opschortende voorwaarde van overlijden). Artikel 2.7.1.0.5 VCF is wel van toepassing: de vijfjaarsperiode loopt. Vlabel kan evenwel geen uitspraak doen over de bewijskracht van de digitale handtekening voor de vijfjaarsperiode (dit betreft bewijsmiddelen). Geen fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij overlijden binnen vijf jaar na de schenking zal erfbelasting verschuldigd zijn, tenzij het bewijsdocument voorafgaand ter registratie werd aangeboden.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25110: Wijziging modaliteiten buitenlandse schenking – schenkbelasting verschuldigd op oorspronkelijke schenkingen</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Echtgenoten X en Y schonken in 2000, 2008 en 2011 aandelen van maatschappen B en D aan hun zoon Z via buitenlandse notariële akten. In 2024 deden ze ook een Belgische schenking met fideï-commis de residuo ten gunste van kleinzoon A. Nu wensen ze de modaliteiten van de drie oudere schenkingen in lijn te brengen met de schenking van 2024: toevoeging fideï-commis de residuo ten gunste van A, schrapping automatisch wegvallen uitsluitingsclausule, beding van terugkeer omzetten naar optioneel conventioneel beding. De wijzigingen worden opgenomen in een verplicht te registreren notariële akte.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Geeft de wijziging aanleiding tot schenk- of erfbelasting?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De registratie van de wijzigingsakte komt neer op de aanbieding ter registratie in België van de titels van de initiële schenkingen van 2000, 2008 en 2011, voor zover deze nog niet eerder ter registratie aangeboden werden. De oorspronkelijke buitenlandse schenkingen worden daardoor alsnog aan schenkbelasting onderworpen. Bij het overlijden van de bezwaarde (Z) zal schenkbelasting verschuldigd zijn op het saldo dat op dat moment toekomt aan de verwachter (A).</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Wie buitenlandse schenkingen wijzigt via een Belgische notariële akte, riskeert dat de oorspronkelijke schenkingen alsnog aan schenkbelasting worden onderworpen.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25114: Verzaking vruchtgebruik – gedeeltelijk vrijgesteld, gedeeltelijk belast</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (weduwnaar, geboren 1952) en zijn zoon Z (geboren 1981). De heer X bezit vruchtgebruik op diverse onroerende goederen, verkregen via: (1) schenkingen door hemzelf of zijn wijlen echtgenote Y aan zoon Z met voorbehoud van vruchtgebruik, (2) een gesplitste aankoop van een appartement, en (3) erfrechtelijk vruchtgebruik uit de nalatenschap van Y (landgoederen in onverdeeldheid met schoonfamilie). De heer X wenst zuiver en eenvoudig afstand te doen van al dit vruchtgebruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Is registratiebelasting verschuldigd op de verzaking?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Gedifferentieerde beslissing per goed. Voor de goederen geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik: vrijstelling schenkbelasting van toepassing (artikel 2.8.6.0.1, 1° VCF) want schenkbelasting werd al geheven op de volle eigendom. Voor het gesplitst aangekochte appartement: geen vrijstelling, want bij de gesplitste aankoop werd enkel verkooprecht geheven op de blote eigendom, niet op de volle eigendom. Voor de erfrechtelijk verkregen landgoederen: evenmin vrijstelling. De verzaking kan als schenking worden belast indien animus donandi aanwezig is. Vlabel oordeelt dat de aangebrachte niet-fiscale motieven onvoldoende concreet zijn. De aanvrager zal bij aanbieding ter registratie concrete cijfers moeten voorleggen over kosten versus opbrengsten van het vruchtgebruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vrijstelling voor goederen geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik. Geen vrijstelling voor het gesplitst aangekochte appartement noch voor het erfrechtelijk vruchtgebruik. Voor de landgoederen: schenkbelasting verschuldigd indien animus donandi niet concreet weerlegd wordt.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">June, 7 maart 2026</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Publicaties VLABEL december 2025 + ontbrekende beslissing november 2025</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-december-2025-ontbrekende-beslissing-november-2025/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Sun, 18 Jan 2026 05:38:21 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3216</guid>

					<description><![CDATA[In de maand december 2025 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst één administratief standpunt over het fiscaal recht op billijkheid bij verbeteringen aan de aangifte van nalatenschap. Daarnaast nemen we ook een voorafgaande beslissing op die in november 2025 werd gepubliceerd maar die we in ons vorige overzicht over het hoofd hebben gezien. VB 25075: Oprichting maatschap [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand december 2025 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst één administratief standpunt over het fiscaal recht op billijkheid bij verbeteringen aan de aangifte van nalatenschap. Daarnaast nemen we ook een voorafgaande beslissing op die in november 2025 werd gepubliceerd maar die we in ons vorige overzicht over het hoofd hebben gezien.</p>



<h2 class="wp-block-heading">VB 25075: Oprichting maatschap gevolgd door bijkomende inbreng zonder creatie van nieuwe aandelen – fiscaal misbruik (gepubliceerd november 2025)</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer A (66 jaar) bezit 72 van de 75 aandelen in BV X. Hij wenst zijn vermogen door te geven aan zijn drie meerderjarige kinderen, maar de kinderen wensen op heden nog niet over dit vermogen te beschikken aangezien zij dan belast zouden zijn door het beheer van het vermogen. Door middel van de oprichting van een maatschap zou de vader nog steeds het vermogen naar goed inzicht kunnen beheren, maar zou het vermogen reeds definitief worden overgedragen aan de volgende generatie.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De voorgenomen verrichtingen: (1) de vader en de kinderen richten een maatschap op waarbij in totaal €1.000 wordt ingebracht. De vader ontvangt 1 aandeel soort A (inbreng €1), de kinderen ontvangen elk 333 aandelen soort B (inbreng elk €333). (2) Vervolgens brengt de vader 72 aandelen van BV X in de maatschap in via de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde, zonder dat er nieuwe aandelen worden uitgegeven. Naderhand wordt een pacte adjoint opgemaakt, strekkende tot bewijs van een onrechtstreekse schenking van de vader aan de kinderen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De statuten van de maatschap voorzien in vergaande controlebevoegdheden voor de vader: de maatschap eindigt van rechtswege vier maanden na het overlijden van de vader, de vader wordt benoemd als enige statutaire zaakvoerder voor de duur van de maatschap (met uitdrukkelijke uitzondering op het principe van afzetbaarheid), de kinderen kunnen noch daden van beheer noch daden van beschikking stellen, de vader oefent exclusief de stemrechten uit in BV X, de resultaatsbestemming wordt beslist op voorstel van de zaakvoerder waarbij de algemene vergadering hiervan enkel kan afwijken bij unanieme beslissing, en alle beslissingen van de algemene vergadering vereisen unanimiteit.</p>



<p class="wp-block-paragraph">In het ontwerp van pacte adjoint wordt als last verbonden aan de schenking dat de vader levenslang mag blijven wonen in zijn huidige woonst of in een ander onroerend goed dat deel uitmaakt van het vermogen van BV X. Deze last wordt niet geplafonneerd.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij winstuitkering heeft het aandeel soort A (vader) exclusief recht op 70% van de winstuitkering.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik? Zijn de artikelen 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.5 VCF, 2.7.1.0.6 VCF, 2.7.1.0.7 VCF en 2.7.1.0.9 VCF van toepassing?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF bevat een fictie voor schenkingen van roerende goederen onder een opschortende modaliteit van het overlijden van de schenker. Vlabel meent dat de doelstelling van de wetgever duidelijk was: een schenking moet een werkelijke en beschikbare overdracht aan de jongere generatie verzekeren, zodat deze het vermogen kan activeren en in het economisch circuit kan brengen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">In casu brengt de heer A 72 van de 75 aandelen van BV X fiscaal voordelig over aan zijn kinderen, doch met een quasi-totaal en levenslang controlevoorbehoud. De kinderen kunnen niet zelf beslissen om het door hen ontvangen vermogen te activeren of in het economisch circuit te investeren. De oudere generatie blijft de facto de quasi-volledige beslissingsmacht behouden over dit vermogen. Dit is strijdig met de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Door de vooropgestelde constructie zal het over te dragen vermogen van de vader aan de kinderen de facto onbeschikbaar zijn voor deze kinderen tijdens het leven van de vader. Het verzekeren van een werkelijke en beschikbare overdracht bij een schenking aan de jongere generatie was juist één van de doelstellingen van het fictie-artikel.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De duur van de maatschap is gekoppeld aan het leven van de heer A (de maatschap eindigt vier maanden na zijn overlijden). De vader is benoemd als enige statutaire zaakvoerder voor de duur van de maatschap, met uitdrukkelijke uitzondering op het principe van afzetbaarheid. Het bestuur heeft residuaire bevoegdheid en de statuten bepalen uitdrukkelijk dat de kinderen noch daden van beheer noch daden van beschikking kunnen stellen. De vader oefent als zaakvoerder exclusief de stemrechten uit in BV X. De resultaatsbestemming wordt door de algemene vergadering beslist op voorstel van de zaakvoerder, waarbij de algemene vergadering hiervan enkel kan afwijken bij unanieme beslissing. Dit komt erop neer dat enkel van het voorstel van de vader-zaakvoerder afgeweken kan worden indien hij dit zelf wil.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Aanvrager haalt buiten het ontwijken van erfbelasting geen niet-fiscale motieven aan die de keuze voor de voorgenomen verrichtingen verantwoorden. De vader formuleert de doelstelling zelf als volgt: hij wenst zijn vermogen door te geven aan zijn kinderen, maar de kinderen wensen op heden nog niet over dit vermogen te beschikken. Door de maatschap zou de vader het vermogen naar goed inzicht kunnen beheren, terwijl het vermogen reeds definitief wordt overgedragen aan de volgende generatie.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Ten aanzien van artikel 2.7.1.0.5 VCF: voor zover door de voorgenomen verrichtingen inderdaad een geldige schenking aan de kinderen tot stand gebracht wordt, zal deze schenking voor het aandeel van de kinderen in de maatschap onder het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.5 VCF vallen. Indien de vader zou overlijden binnen de termijn voorzien in dit artikel, worden de begiftigden geacht het voorwerp van de schenking als legaat te hebben verkregen, tenzij het bewijsdocument voorafgaand aan het overlijden van de schenker ter registratie werd aangeboden.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Ten aanzien van artikel 2.7.1.0.9 VCF: in het ontwerp van pacte adjoint wordt een levenslange last verbonden aan de schenking, waarbij de vader levenslang mag blijven wonen in zijn huidige woonst of in een ander onroerend goed dat deel uitmaakt van het vermogen van BV X. De ruling vermeldt geen concrete bedragen voor de waardebepaling van de ingebrachte aandelen of de waarde van het bewoninsrecht. Omdat deze last niet wordt geplafonneerd, kan niet uitgesloten worden dat de last zo hoog kan gaan oplopen dat het in feite geen schenking meer is, waardoor er zich een herkwalificatie naar een contract onder bezwarende titel kan opdringen. Gevolg van deze herkwalificatie zou zijn dat de toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF niet uitgesloten kan worden. Dit zal evenwel slechts in concreto beoordeeld kunnen worden bij het overlijden van de schenker.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Gelet op de mate van controlevoorbehoud door de schenker wordt toepassing gemaakt van artikel 3.17.0.0.2 VCF wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF. De voorgenomen verrichtingen worden geacht in strijd te zijn met de doelstellingen van dit artikel.</p>



<h2 class="wp-block-heading">SP 25012: Fiscaal recht op billijkheid – verbeteringen aan aangifte van nalatenschap</h2>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Achtergrond</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vlabel streeft naar een klantvriendelijke en menselijke toepassing van de fiscale regelgeving. Het kan niet de bedoeling zijn te hoge boetes of belastingverhogingen op te leggen bij de minste overtreding of onvolkomenheid. Vlabel wil boetes verhinderen en boetes verminderen. Door zich te tonen als een helpende fiscus worden duidelijke vergissingen aan de belastingplichtige gemeld met een voorstel van remediëring. Als de belastingplichtige hieraan gevolg verleent is het opleggen van een belastingverhoging niet langer wenselijk. Bovendien zorgt het steevast opleggen van een boete voor een ontmoediging bij de belastingplichtige om, na afloop van de aangiftetermijn, nog spontaan een rechtzetting of aanvulling te doen. Door geen boete meer op te leggen wanneer de rechtzetting gebeurt binnen een korte termijn (tot circa twee maanden) na afloop van de aangiftetermijn, ontstaat er nu een financiële incentive voor de belastingplichtige om alsnog de rechtzetting spontaan aan te geven.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Werkwijze</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Indien Vlabel bij de berekening op zicht van de aangifte een duidelijke vergissing of onvolkomenheid vaststelt, zal Vlabel de aangever hierop attent maken. Naar aanleiding van het contact met de aangever wordt steeds een voorstel tot remediëring of een verzoek tot het aanleveren van bijkomende informatie meegegeven. De aangever beschikt daaropvolgend over een termijn van 14 dagen om te reageren.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Welke verbeteringen komen in aanmerking</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Huidig standpunt kan enkel toepassing vinden indien het gaat om een duidelijke vergissing. Niet-limitatieve voorbeelden zijn: het aangeven van een goed als behorend tot het eigen vermogen in plaats van behorend tot het gemeenschappelijk vermogen en omgekeerd, inversie van cijfers in tegoeden van bankrekeningen, ontbreken van stukken tot bewijs van het passief van de nalatenschap, ontbreken van handtekeningen op een gezamenlijke aangifte, inboedel wordt aangegeven voor de verzekerde waarde in plaats van voor de venale waarde, een onjuist bedrag van een bankrekening, een pro memorie vermelding, onduidelijkheid in de aangifte aangaande een begrafenisverzekering, onduidelijkheid in de aangifte inzake inkorting, een niet-geregistreerde schenking wordt aangegeven als geregistreerde schenking of omgekeerd.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolgen</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Wanneer de aangever tijdig en correct ingaat op het voorstel tot remediëring wordt er geen belastingverhoging opgelegd. Dergelijke duidelijke vergissingen worden door Vlabel op die manier rechtgezet zonder sanctie. In alle andere gevallen blijven de bestaande decretale belastingverhogingen uiteraard onverminderd van toepassing.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">June, 17 januari 2026</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Publicaties Vlabel November 2026</title>
		<link>https://june.estate/publicaties-vlabel-november-2025/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 09 Jan 2026 04:37:24 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Overzicht Vlabel]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3212</guid>

					<description><![CDATA[In de maand november 2025 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst zeven voorafgaande beslissingen die relevant zijn voor de successie- en vermogensplanning. De beslissingen bieden belangrijke verduidelijkingen over de toepassing van de anti-misbruikbepaling, met name over de&#160;tijdspanne tussen inbreng en schenking. We vatten de beslissingen hieronder samen aan de hand van de volgende thema&#8217;s: (1) Inbreng gevolgd [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<p class="wp-block-paragraph">In de maand november 2025 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst zeven voorafgaande beslissingen die relevant zijn voor de successie- en vermogensplanning. De beslissingen bieden belangrijke verduidelijkingen over de toepassing van de anti-misbruikbepaling, met name over de&nbsp;<strong>tijdspanne tussen inbreng en schenking</strong>. We vatten de beslissingen hieronder samen aan de hand van de volgende thema&#8217;s: (1) Inbreng gevolgd door schenking – nuances in de tijdspanne, (2) Kanscontracten, (3) Familiale vennootschappen, en (4) Varia.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 1: INBRENG GEVOLGD DOOR SCHENKING – NUANCES IN DE TIJDSPANNE</h2>



<p class="wp-block-paragraph">De constructie waarbij een echtgenoot eigen onroerende goederen inbrengt in de huwgemeenschap, kort nadien gevolgd door een schenking door beide echtgenoten, blijft een terugkerend thema. De publicaties van november bieden echter belangrijke nuances over wat precies wordt beschouwd als een &#8220;korte tijdspanne&#8221;.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25087: Inbreng onroerende goederen in vennootschap gevolgd door schenking aandelen – fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X bezit aandelen van NV A, een zuivelbedrijf met een 100-jarige traditie in de voedingssector. De vennootschap heeft meer dan 10 jaar personeel in dienst (gemiddeld 4,6 VTE). Voorafgaand aan de voorgenomen schenking brengt de heer X verschillende onroerende bedrijfsgoederen in NV A in tegen uitgifte van 15 nieuwe aandelen. De totale inbrengwaarde bedraagt €2.905.000. Kort nadien wil hij deze 15 nieuwe aandelen in volle eigendom schenken aan zijn drie kinderen. Vóór de inbreng gebruikte NV A deze onroerende goederen waarvoor zij huurvergoeding betaalde aan de heer X (€17.360,60 volgens het aanslagbiljet). De inbreng had volgens de aanvrager als doel de onzekerheid weg te werken over de bestemming van deze bedrijfskritische activa na zijn overlijden.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormen de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik? Kan de schenking van de aandelen genieten van het gunstregime voor familiale vennootschappen (artikel 2.8.6.0.3 VCF)?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik. Door de inbreng van onroerende goederen kort voor de schenking omzeilen de betrokkenen de progressiviteit in de schenkbelasting. In plaats van het progressieve tarief voor onroerende goederen (Tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF) wordt het vlakke tarief van 3% voor roerende goederen bekomen. Dit voordeel wordt nog groter als de vrijstelling voor familiale vennootschappen kan worden genoten.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel wijst op de historische achtergrond van de progressiviteit. Met het KB nr. 9 van 3 juli 1939 werden voor successie- en schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd. Het verslag aan de koning stelde dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigde. Na de regionalisering werd voor roerende goederen het progressief tarief afgeschaft, maar voor onroerende goederen bleef dit bestaan met dezelfde ratio legis: de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Gelet op de eenheid van opzet – de inbreng van onroerende goederen door de vader in NV A, bovendien binnen korte termijn gevolgd door de schenking van de in ruil verkregen aandelen aan zijn kinderen – oordeelt het besluitvormingsorgaan dat er sprake is van fiscaal misbruik.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De niet-fiscale argumenten volstaan niet om het misbruik te weerleggen: </p>



<ul class="wp-block-list">
<li>de inbreng had veel eerder kunnen plaatsvinden (de keuze om de inbreng uit te stellen vanwege het bodemonderzoek door de OVAM weerlegt dit niet), </li>



<li>ook corona maakte het niet onmogelijk de inbreng eerder uit te voeren (bovendien ligt de coronapiek al enkele jaren achter ons), </li>



<li>vader X behoudt de controle (hij wenst duidelijk via zijn bestuursfunctie in NV A mee het beleid te bepalen), </li>



<li>er wordt gesproken over een operationeel inefficiënte structuur vóór de inbreng (echter, naast het feit dat dit vooral een fiscale inefficiëntie lijkt, bestaat het bedrijf al sinds 1989 en hierop had veel eerder kunnen worden ingegrepen), </li>



<li>en dat de ingebrachte onroerende goederen zonder de inbreng bij het overlijden van vader X in onverdeeldheid zouden komen tussen de kinderen is betwijfelbaar (de kinderen zijn zelf actief in het bedrijf en hebben er alle belang bij deze onroerende goederen, eventueel via inbreng, aan te wenden voor de bedrijfsactiviteit).</li>
</ul>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De schenking van de aandelen verkregen door inbreng van de onroerende goederen in NV A zal getaxeerd worden als een schenking van onroerende goederen.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25090: Inbreng in de huwgemeenschap gevolgd door een schenking – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Bij akte wijziging huwelijkscontract verleden op xx.xx.2019 heeft de heer X verschillende eigen onroerende goederen, waaronder de gezinswoning, ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen. Het doel was de langstlevende zo ruim mogelijk te beschermen naar de toekomst toe. Tevens werd een keuzebeding in geval van overlijden voorzien voor de langstlevende echtgenoot. Thans, in 2025, zijn de echtgenoten van plan om het onroerend goed voor de helft in naakte eigendom te schenken aan hun zoon. De schenkers behouden zich de helft in naakte eigendom en het vruchtgebruik voor.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de inbreng gevolgd door schenking fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat de anti-misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet moet worden toegepast. De schenking zal plaatsvinden meer dan vijf jaar na de inbreng (van 2019 tot 2025). De schenking volgt derhalve niet onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne op de inbreng. Op het moment van de inbreng hadden de echtgenoten niet de intentie om het onroerend goed te schenken. Zij wilden de langstlevende op afdoende wijze beschermen bij overlijden van de eerststervende. Zij wilden dat de langstlevende alleen zou kunnen beslissen over deze onroerende goederen. Dit kan in dit geval enkel met gemeenschappelijke goederen én een keuzemogelijkheid van toebedeling van de geheelheid volle eigendom aan de langstlevende. De lange tijdspanne tussen de twee rechtshandelingen en de beschermende beweegreden van de inbreng tonen aan dat de inbreng gebeurde om andere dan fiscale motieven.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Gelet op de feitenconstellatie en de tijdspanne tussen de inbreng en de voorgenomen schenking wordt geen fiscaal misbruik weerhouden.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25102: Inbreng in huwgemeenschap gevolgd door schenking – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Mevrouw Y bezit als eigen goed een onroerend goed dat zij heeft verkregen uit de nalatenschappen van haar beide ouders. Dit onroerend goed behoorde oorspronkelijk toe aan haar vader, die het had verkregen uit de nalatenschap van zijn oom. Bij akte wijziging huwelijkscontract in 2007 werd dit goed ingebracht in de huwelijksgemeenschap bestaande tussen haar ouders. Na het overlijden van haar beide ouders kwam dit goed in eigendom van mevrouw Y. Bij akte verleden op xx.xx.2022 heeft mevrouw Y verschillende eigen onroerende goederen, waaronder dit onroerend goed, ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen met als doel haar echtgenoot zo ruim mogelijk te beschermen naar de toekomst toe. Tevens werd een keuzeclausule met betrekking tot de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen opgenomen. Thans wensen de echtgenoten dit onroerend goed voor de helft in naakte eigendom te schenken aan hun zoon.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de inbreng gevolgd door schenking fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat de anti-misbruikbepaling niet moet worden toegepast. Tussen de inbreng (augustus 2022) en de voorgenomen schenking (2025) verstrijkt meer dan drie jaar. Dit wordt niet beschouwd als een korte tijdspanne.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Gelet op de feitenconstellatie en de tijdspanne tussen de inbreng en de voorgenomen schenking wordt geen fiscaal misbruik weerhouden.</p>



<h3 class="wp-block-heading">In lijn met eerdere beslissingen over &#8220;korte tijdspanne&#8221;</h3>



<p class="wp-block-paragraph">De beslissingen VB 25090 en VB 25102 bevestigen dat een tijdspanne van meer dan drie jaar tussen de inbreng en de schenking voldoende is om niet te worden gekwalificeerd als &#8220;onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne&#8221;. Deze lijn ligt in lijn met eerdere beslissingen van de Vlabel. De Omzendbrief VLABEL/2015/1 van 16 februari 2015 spreekt immers van &#8220;onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne&#8221; zonder verdere precisering. Uit de consistente toepassing in de beslissingen blijkt dat de Vlabel voor een termijn van drie jaar of meer geen misbruik meer aanneemt, mits er niet-fiscale motieven aan de inbreng ten grondslag liggen. Voor kortere termijnen zal de beoordeling nog steeds casuïstisch gebeuren. Zowel de tijdspanne als de niet-fiscale motieven moeten worden afgewogen.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 2: KANSCONTRACTEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25083: Kanscontract effectenportefeuille en onroerend goed – geen schenkbelasting</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X (58 jaar) en mevrouw Y (bijna 57 jaar) zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Zij wensen voorafgaand aan een wijziging van hun huwelijkscontract een aanwascontract af te sluiten. Het aanwascontract zal betrekking hebben op eigen goederen van beide echtgenoten: effectenrekeningen en beleggingsverzekeringen van de heer X (totale waarde: €1.066.878,90), effectenrekeningen en beleggingsverzekeringen van mevrouw Y (totale waarde: €1.354.377,00), en een onroerend goed waarvan de heer X de blote eigendom bezit (waarde blote eigendom: €256.200). Totale inleg heer X: €1.323.078,90. Totale inleg mevrouw Y: €1.354.377,00. Bij overlijden van een van de aanvragers zal het onverdeeld aandeel van de eerststervende van rechtswege aanwassen in volle eigendom aan de overlevende deelgenoot.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert het aanwascontract als een evenwichtig kanscontract ten bezwarende titel?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt positief. Een beding van aanwas of kanscontract moet volgens Standpunt SP 17044 voldoen aan de volgende voorwaarden:</p>



<p class="wp-block-paragraph">(1) Authentiek voor onroerende goederen: het aanwascontract heeft betrekking op een onroerend goed en zal in een notariële akte worden opgenomen.</p>



<p class="wp-block-paragraph">(2) Ten bijzondere titel: het contract heeft betrekking op nauwkeurig omschreven vermogensbestanddelen en de goederen die er ingevolge zakelijke subrogatie in de plaats van komen. De aanvragers bezitten ook nog andere roerende goederen die niet in het contract worden betrokken. De Vlabel bevestigt dat zaakvervanging mogelijk is binnen een kanscontract. De vermogensbestanddelen die in de plaats komen zullen dezelfde regels en bestemming volgen als de oorspronkelijke vermogensbestanddelen. Het ontwerp bepaalt uitdrukkelijk dat indien zaakvervanging wordt ingeroepen, dit moet worden bevestigd bij het verwerven van het nieuwe zaakvervangende goed.</p>



<p class="wp-block-paragraph">(3) Ten bezwarende titel: het bezwarende karakter wordt ondersteund door gelijkaardige leeftijd (58 en bijna 57 jaar), zelfde gezondheidstoestand (beiden in dezelfde goede gezondheidstoestand), gelijkwaardige inleg (het verschil van €31.298,10 of 2,3% ten opzichte van de inleg van mevrouw Y verstoort de gelijkwaardigheid niet), en geen tijdsbeperking (het kanscontract wordt niet beperkt in de tijd en kan slechts worden gewijzigd of opgeheven met wederzijds akkoord).</p>



<p class="wp-block-paragraph">Gezien het aanwascontract kwalificeert als een kanscontract ten bezwarende titel, sluiten de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF en 2.7.1.0.5 VCF de taxatie in de erfbelasting uit. Ook de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF (schenkbelasting) zijn niet van toepassing. Wel zal bij uitwerking van het kanscontract registratiebelasting verschuldigd zijn op onroerende goederen (verkooprecht). Het aanwascontract maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. De substantiële niet-fiscale motieven (wederzijdse bescherming, animo speculandi) rechtvaardigen de gekozen structuur.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Bij uitwerking van het kanscontract is geen erfbelasting of schenkbelasting verschuldigd. Wel is registratiebelasting verschuldigd op onroerende goederen (verkooprecht).</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 3: FAMILIALE VENNOOTSCHAPPEN</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25097: Voorafgaande herstructurering – schenking gunstregime familiale vennootschap – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Een complexe herstructurering waarbij mevrouw X voornemens is de helft van haar aandelen in BV D te schenken aan haar twee kinderen, A en B, met toepassing van het gunstregime voor familiale vennootschappen (artikel 2.8.6.0.3 VCF). BV D fungeert als family office en actieve holdingvennootschap. Zij levert een breed pakket aan diensten aan de groepsvennootschappen (algemeen, financieel en operationeel beheer, fiscale, juridische en administratieve diensten). BV D beschikt over een kantoor en een achttal werknemers. De Vlabel bevestigde eerder al meermaals (attestaanvragen in 2019, 2022 en 2024) dat BV D kwalificeert als actieve familiale vennootschap.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Zowel voorafgaand aan de schenking als erna zal er een herstructurering plaatsvinden. Voorafgaande herstructurering (6 stappen): (1) decertificeren aandelen BV D, (2) verletteren van aandelen BV D van X, (3) creëren van twee &#8220;takken&#8221; (Y enerzijds en andere familieleden anderzijds), (4) inbreng van aandelen BV D in NewCo BV, (5) inbreng aandelen NewCo BV in BV E en BV B, (6) inkoop door NewCo BV van belangen BV E en BV B. Herstructurering na de schenking: binnen de drie jaren na de schenking zullen A, B en X de aan hen toebehorende aandelen van BV D inbrengen in hun persoonlijke holdingvennootschappen (respectievelijk BV A, BV B en BV X).</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Kwalificeert BV D als familiale vennootschap? Vormt de voorafgaande herstructurering fiscaal misbruik? Hoe worden de parameters van de reële economische activiteit beoordeeld (in hoofde van welke vennootschap, op basis van welke jaarrekeningen)?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Het besluitvormingsorgaan kan zich niet uitspreken over de kwalificatie als familiale vennootschap (dit vereist onderzoek van bewijsmiddelen). Wel oordeelt het dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De aanvrager vraagt bevestiging dat de beoordeling van de parameters van de reële economische activiteit (artikel 2.8.6.0.3, §2, 2° VCF) enkel zal gebeuren in hoofde van BV D op basis van de drie laatste afzonderlijke jaarrekeningen van BV D, en dus niet in hoofde van de vennootschappen BV E, BV A of BV B noch op grond van een geconsolideerde jaarrekening. De Vlabel bevestigt dit. De voorafgaande herstructurering heeft louter betrekking op het aandeelhouderschap van BV D via diverse inbrengen, inkopen en overdrachten van aandelen. BV D blijft haar handelsactiviteit als actieve holdingvennootschap verder uitoefenen. Er is geen sprake van een fusie of splitsing. De passage op bladzijde 32 van de Omzendbrief 2015/2 die voorschrijft dat de beoordeling zal worden gemaakt op basis van de afzonderlijke jaarrekeningen van alle bij de reorganisatie betrokken vennootschappen viseert uitsluitend de situatie van een fusie of een splitsing.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Ook na de schenking, wanneer de aandelen worden ingebracht in de persoonlijke holdingvennootschappen, zullen de voorwaarden tot behoud (artikel 2.8.6.0.6 VCF) enkel worden beoordeeld in hoofde van BV D op grond van de afzonderlijke jaarrekening van BV D. Deze voorwaarden tot behoud leggen geen voorwaarde op omtrent aandeelhouderschap. De Omzendbrief 2015/2 bevestigt dit op bladzijde 36: &#8220;Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur van de geschonken of vererfde familiale vennootschap heeft op zich geen invloed op de beoordeling van de voorwaarden tot behoud van het gunstregime.&#8221; Dit ligt in lijn met de Memorie van Toelichting: &#8220;De aandelen van de onderneming dienen geen 3 jaar aangehouden te worden, doch de activiteit dient behouden te blijven.&#8221; Het is essentieel dat activiteiten in de vennootschap voor een bepaalde termijn worden verdergezet. Wie de aandeelhouders zijn, doet er niet toe.</p>



<p class="wp-block-paragraph">De voorgenomen verrichtingen zijn ingegeven door zowel familiale als bedrijfseconomische motieven. Familiale motieven: naar aanleiding van de echtscheiding van X en Y is het gewenst dat de zakelijke belangen van X en Y zo veel mogelijk gescheiden worden, X is voornemens de helft van haar aandelen te schenken aan de kinderen terwijl Y op heden nog niets wenst over te dragen, de persoonlijke holdingvennootschappen laten de familieleden toe om autonoom te beslissen over de aanwending van fondsen zonder volledig afhankelijk te zijn van de visie van de andere aandeelhouders, en de structuur wordt voorbereid op toekomstige generationele opvolging. Bedrijfseconomische motieven: verschil in visie op vlak van strategie en beleid tussen Y enerzijds en de andere familieleden anderzijds, Y wenst enkele persoonlijke investeringen op lange termijn aan te houden zonder inspraak van de andere familieleden, en X, B en A beogen een persoonlijk investeringsbeleid te kunnen voeren met bestendiging van het familiaal karakter van BV D.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De voorgenomen verrichtingen maken geen fiscaal misbruik uit. De beoordeling van de parameters van de reële economische activiteit gebeurt enkel in hoofde van BV D op basis van de drie laatste afzonderlijke jaarrekeningen van BV D. Ook de voorwaarden tot behoud worden enkel in hoofde van BV D beoordeeld.</p>



<h2 class="wp-block-heading">THEMA 4: VARIA</h2>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25077: Vrijstelling erfbelasting gezinswoning gevolgd door verkoop – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De aanvrager is de langstlevende partner die de gezinswoning heeft verkregen met toepassing van de vrijstelling van erfbelasting voorzien in artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF. Binnen de twee jaar na het overlijden van de erflater wenst de aanvrager (samen met de erfgenamen) het onroerend goed te verkopen. De eigendomssituatie is onverdeeld met andere erfgenamen. Er kon tot op heden geen overeenkomst bereikt worden met de resterende erfgenamen met betrekking tot het behoud, de overname of verdeling van de gezinswoning. Om verdere juridische conflicten te vermijden, wordt de verkoop van de woning overwogen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt de voorgenomen verkoop fiscaal misbruik, waardoor de vrijstelling verloren zou gaan?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat er geen sprake is van fiscaal misbruik. De voorwaarden voor de vrijstelling van erfbelasting voor de verkrijging van de gezinswoning door de langstlevende partner zijn vastgelegd in artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF. Deze voorwaarden worden beoordeeld op het moment van overlijden van de erflater. De niet-vervreemding of het behoud van de gezinswoning ná het overlijden van de erflater behoort niet tot de voorwaarden voor de vrijstelling. De langstlevende partner die deze gezinswoning vervreemdt na het overlijden van de erflater, plaatst zich door de voorgenomen verrichting bijgevolg niet kunstmatig binnen het toepassingsgebied van artikel 2.7.4.1.1, §2 VCF.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Deze voorgenomen vervreemding vormt geen schending van artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF, noch rechtstreeks noch via de toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF. De vrijstelling blijft behouden.</p>



<h3 class="wp-block-heading">VB 25089: Afstand van onverdeelde delen gevolgd door inbreng in huwgemeenschap – geen fiscaal misbruik</h3>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Feiten</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De heer X bezit 1/8 in volle eigendom van een onroerend goed. De overige onverdeelde parten behoren toe aan zijn vader (vruchtgebruik) en zijn drie zussen (naakte eigendom). De voorgenomen verrichtingen: (1) de vader doet zuiver en eenvoudig afstand van zijn vruchtgebruik, (2) de heer X neemt de onverdeelde parten over van de deelgenoten, waardoor de onverdeeldheid ophoudt en hij volle eigenaar wordt, (3) de heer X brengt het onroerend goed in de huwgemeenschap. De kredietinstelling die de overname financiert, vereist dat de echtgenote van de heer X voor minstens 25% mee-eigenares is van het goed. Daartoe brengt de heer X het goed in de huwgemeenschap. De beslissing tot inbreng ligt volledig bij de heer X, waarbij zijn echtgenote geen expliciet vragende partij is.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Vraag</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vormt het geheel van verrichtingen fiscaal misbruik?</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Beslissing</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">De Vlabel oordeelt dat er geen sprake is van fiscaal misbruik. Door de inbreng van het onroerend goed in de huwgemeenschap door de heer X, korte tijd volgend op de overname, zal mevrouw A niet beschouwd worden als een derde-verkrijger. Hierdoor wordt de toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF en artikel 2.9.1.0.7 VCF gefrustreerd. Door de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen wordt op kunstmatige wijze een fiscaal voordeel bekomen. Gelet op de korte tijdspanne tussen de overname en de inbreng wordt een eenheid van opzet aangetoond en kan hieruit een fiscaal motief worden afgeleid. De aanvragers brengen als niet-fiscaal motief aan dat voor het bekomen van een hypothecair krediet ter financiering van de overname de bank vereist dat beide echtgenoten samen eigenaar zijn van het goed (de echtgenote voor minstens 25%).</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Gevolg</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Gelet op dit niet-fiscaal motief en gelet het gewenste einddoel om de woning in gezamenlijk bezit te gebruiken als gezinswoning na verbouwing, maken de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Deze beslissing bevestigt dat externe vereisten (zoals bankeisen) als valabele niet-fiscale motieven kunnen worden beschouwd, zelfs wanneer de structuur op het eerste zicht fiscaal voordelig is.</p>



<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">June, 9 januari 2026</p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Wijzigingen in de erf- en schenkbelasting vanaf 1 januari 2026</title>
		<link>https://june.estate/wijzigingen-in-de-erf-en-schenkbelasting-vanaf-1-januari-2026/</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Bart]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 20 Dec 2025 05:27:46 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Erfbelasting]]></category>
		<category><![CDATA[Schenkbelasting]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://june.estate/?p=3200</guid>

					<description><![CDATA[Het onlangs aangenomen Programmadecreet bij de begroting 2026 voert een reeks wijzigingen door in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. De meest opvallende maatregel is de aangekondigde uitsluiting van residentieel vastgoed en bouwgronden van het gunstregime voor familiale vennootschappen. Daarnaast introduceert de Vlaamse regering een structurele hervorming voor alleenstaanden en een nieuwe ronde voor fiscale regularisatie. Hieronder [&#8230;]]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[
<hr class="wp-block-separator has-alpha-channel-opacity"/>



<p class="wp-block-paragraph">Het onlangs aangenomen Programmadecreet bij de begroting 2026 voert een reeks wijzigingen door in de Vlaamse Codex Fiscaliteit. De meest opvallende maatregel is de aangekondigde uitsluiting van residentieel vastgoed en bouwgronden van het gunstregime voor familiale vennootschappen. Daarnaast introduceert de Vlaamse regering een structurele hervorming voor alleenstaanden en een nieuwe ronde voor fiscale regularisatie.</p>



<p class="wp-block-paragraph">Hieronder vatten wij de belangrijkste krijtlijnen voor u samen.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>1. Verstrenging regime familiale vennootschap &#8211; Residentieel vastgoed en bouwgronden uitgesloten van gunsttarief&nbsp;</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Vanaf 1 januari 2026 wordt de toegang tot het verlaagd tarief in de erf- en schenkbelasting (3% of 0%) voor familiale vennootschappen drastisch ingeperkt. De wetgever wil hiermee vermijden dat de gunstregeling wordt aangewend voor loutere vermogensbeheer- en residentiële vastgoedstructuren.</p>



<ul class="wp-block-list">
<li>Uitsluiting woningen:&nbsp;Het deel van de waarde van de aandelen dat vertegenwoordigd wordt door onroerende goederen die (geheel of gedeeltelijk) tot bewoning zijn bestemd, komt niet langer in aanmerking voor het gunsttarief. Dit geldt ook voor vastgoed in dochtervennootschappen (minstens 10% participatie).</li>



<li>Bouwgronden:&nbsp;Ook bouwgronden worden expliciet uitgesloten; hierop zijn voortaan de normale tarieven van toepassing.</li>



<li>Uitzondering:&nbsp;Vennootschappen die minstens 75% van hun omzet genereren uit vastgoedactiviteiten kunnen de gunstregeling wel behouden, op voorwaarde dat zij minstens één voltijds werknemer (1 VTE) tewerkstellen.</li>
</ul>



<p class="wp-block-paragraph">Meer toelichting leest u in de eerdere nieuwsbrieven: <a href="https://june.estate/ingrijpende-wijzigingen-fiscaal-gunstregime-familiale-vennootschappen-residentieel-vastgoed-uitgesloten-vanaf-1-januari-2026/">https://june.estate/ingrijpende-wijzigingen-fiscaal-gunstregime-familiale-vennootschappen-residentieel-vastgoed-uitgesloten-vanaf-1-januari-2026/</a> en <a href="https://june.estate/update-belangrijke-aanpassing-gunstregime-familiale-vennootschappen-uitzondering-voor-professionele-vastgoedactiviteiten/">https://june.estate/update-belangrijke-aanpassing-gunstregime-familiale-vennootschappen-uitzondering-voor-professionele-vastgoedactiviteiten/</a>.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>2. Verscherpte bewijslast: Het verplichte waarderingsverslag&nbsp;</strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Het decreet legt de lat voor de bewijsvoering hoger. Om van het gunstregime gebruik te maken, bent u&nbsp;verplicht&nbsp;een formeel verslag toe te voegen bij de aangifte, opgesteld door een bedrijfsrevisor of een gecertificeerd accountant (niet de commissaris). Dit verslag moet de totale waarde van de aandelen opsplitsen, waarbij het residentieel vastgoed en de bouwgronden minutieus worden gewaardeerd en afgezonderd van de bedrijfsactiviteit.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>3. Tarieven erfbelasting </strong></p>



<p class="wp-block-paragraph">Er komt een tariefaanpassing in de erfbelasting:</p>



<ul class="wp-block-list">
<li>Hogere vrijstelling voor de partner:&nbsp;De &#8216;voetvrijstelling&#8217; in de erfbelasting voor de langstlevende partner wordt opgetrokken van 50.000 euro naar&nbsp;75.000 euro. Dit betekent dat de eerste schijf van 75.000 euro van het erfdeel van de partner volledig belastingvrij is.</li>



<li>De beperkte vriendenerfenis (max. € 15.000 aan 3%) dooft uit en maakt plaats voor een vermindering voor alleenstaanden. Een erflater zonder partner of kinderen kan via testament personen aanwijzen die genieten van verlaagde tarieven:&nbsp;3%&nbsp;op de eerste schijf tot 50.000 euro en&nbsp;9%&nbsp;op de schijf tot 100.000 euro.</li>
</ul>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>4. Vastgoed &#8211; Geen verlaagd tarief meer bij gesplitste aankoop eigen woning.</strong> </p>



<p class="wp-block-paragraph">Wie een enige eigen woning koopt, geniet in Vlaanderen van een verlaagd registratierecht (2%). Het decreet verstrengt de voorwaarden hiervoor: het verlaagd tarief geldt voortaan enkel nog bij de aankoop in volle eigendom. Dit betekent concreet dat een gesplitste aankoop (waarbij ouders bijvoorbeeld het vruchtgebruik kopen en kinderen de blote eigendom) voor de enige eigen woning niet meer mogelijk zal zijn aan 2%. Dergelijke constructies vallen terug op het standaardtarief (12%).</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>5. Vlaamse Fiscale Regularisatie 2.0</strong>&nbsp;Tot slot voorziet het decreet in een nieuw tijdelijk venster voor fiscale regularisatie tot eind 2029. Wie fiscale inbreuken uit het verleden (erf- of registratiebelasting) wil rechtzetten, kan dit doen tegen nieuwe forfaitaire tarieven.</p>



<p class="wp-block-paragraph"><strong>Timing</strong>&nbsp;De inwerkingtreding van deze maatregelen is op&nbsp;<strong>1 januari 2026</strong>.</p>



<p class="wp-block-paragraph">June, 20 December 2025.</p>



<p class="wp-block-paragraph"></p>
]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
