In de maand november 2025 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst zeven voorafgaande beslissingen die relevant zijn voor de successie- en vermogensplanning. De beslissingen bieden belangrijke verduidelijkingen over de toepassing van de anti-misbruikbepaling, met name over de tijdspanne tussen inbreng en schenking. We vatten de beslissingen hieronder samen aan de hand van de volgende thema’s: (1) Inbreng gevolgd door schenking – nuances in de tijdspanne, (2) Kanscontracten, (3) Familiale vennootschappen, en (4) Varia.
THEMA 1: INBRENG GEVOLGD DOOR SCHENKING – NUANCES IN DE TIJDSPANNE
De constructie waarbij een echtgenoot eigen onroerende goederen inbrengt in de huwgemeenschap, kort nadien gevolgd door een schenking door beide echtgenoten, blijft een terugkerend thema. De publicaties van november bieden echter belangrijke nuances over wat precies wordt beschouwd als een “korte tijdspanne”.
VB 25087: Inbreng onroerende goederen in vennootschap gevolgd door schenking aandelen – fiscaal misbruik
Feiten
De heer X bezit aandelen van NV A, een zuivelbedrijf met een 100-jarige traditie in de voedingssector. De vennootschap heeft meer dan 10 jaar personeel in dienst (gemiddeld 4,6 VTE). Voorafgaand aan de voorgenomen schenking brengt de heer X verschillende onroerende bedrijfsgoederen in NV A in tegen uitgifte van 15 nieuwe aandelen. De totale inbrengwaarde bedraagt €2.905.000. Kort nadien wil hij deze 15 nieuwe aandelen in volle eigendom schenken aan zijn drie kinderen. Vóór de inbreng gebruikte NV A deze onroerende goederen waarvoor zij huurvergoeding betaalde aan de heer X (€17.360,60 volgens het aanslagbiljet). De inbreng had volgens de aanvrager als doel de onzekerheid weg te werken over de bestemming van deze bedrijfskritische activa na zijn overlijden.
Vraag
Vormen de voorgenomen verrichtingen fiscaal misbruik? Kan de schenking van de aandelen genieten van het gunstregime voor familiale vennootschappen (artikel 2.8.6.0.3 VCF)?
Beslissing
De Vlabel oordeelt dat er sprake is van fiscaal misbruik. Door de inbreng van onroerende goederen kort voor de schenking omzeilen de betrokkenen de progressiviteit in de schenkbelasting. In plaats van het progressieve tarief voor onroerende goederen (Tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF) wordt het vlakke tarief van 3% voor roerende goederen bekomen. Dit voordeel wordt nog groter als de vrijstelling voor familiale vennootschappen kan worden genoten.
De Vlabel wijst op de historische achtergrond van de progressiviteit. Met het KB nr. 9 van 3 juli 1939 werden voor successie- en schenkingsrechten dezelfde progressieve tarieven ingevoerd. Het verslag aan de koning stelde dat de niet-progressiviteit van de belasting het bedrog aanmoedigde. Na de regionalisering werd voor roerende goederen het progressief tarief afgeschaft, maar voor onroerende goederen bleef dit bestaan met dezelfde ratio legis: de waarde van het geschonken onroerend goed bepaalt de hoogte van de belasting.
Gelet op de eenheid van opzet – de inbreng van onroerende goederen door de vader in NV A, bovendien binnen korte termijn gevolgd door de schenking van de in ruil verkregen aandelen aan zijn kinderen – oordeelt het besluitvormingsorgaan dat er sprake is van fiscaal misbruik.
De niet-fiscale argumenten volstaan niet om het misbruik te weerleggen:
- de inbreng had veel eerder kunnen plaatsvinden (de keuze om de inbreng uit te stellen vanwege het bodemonderzoek door de OVAM weerlegt dit niet),
- ook corona maakte het niet onmogelijk de inbreng eerder uit te voeren (bovendien ligt de coronapiek al enkele jaren achter ons),
- vader X behoudt de controle (hij wenst duidelijk via zijn bestuursfunctie in NV A mee het beleid te bepalen),
- er wordt gesproken over een operationeel inefficiënte structuur vóór de inbreng (echter, naast het feit dat dit vooral een fiscale inefficiëntie lijkt, bestaat het bedrijf al sinds 1989 en hierop had veel eerder kunnen worden ingegrepen),
- en dat de ingebrachte onroerende goederen zonder de inbreng bij het overlijden van vader X in onverdeeldheid zouden komen tussen de kinderen is betwijfelbaar (de kinderen zijn zelf actief in het bedrijf en hebben er alle belang bij deze onroerende goederen, eventueel via inbreng, aan te wenden voor de bedrijfsactiviteit).
Gevolg
De schenking van de aandelen verkregen door inbreng van de onroerende goederen in NV A zal getaxeerd worden als een schenking van onroerende goederen.
VB 25090: Inbreng in de huwgemeenschap gevolgd door een schenking – geen fiscaal misbruik
Feiten
De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Bij akte wijziging huwelijkscontract verleden op xx.xx.2019 heeft de heer X verschillende eigen onroerende goederen, waaronder de gezinswoning, ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen. Het doel was de langstlevende zo ruim mogelijk te beschermen naar de toekomst toe. Tevens werd een keuzebeding in geval van overlijden voorzien voor de langstlevende echtgenoot. Thans, in 2025, zijn de echtgenoten van plan om het onroerend goed voor de helft in naakte eigendom te schenken aan hun zoon. De schenkers behouden zich de helft in naakte eigendom en het vruchtgebruik voor.
Vraag
Vormt de inbreng gevolgd door schenking fiscaal misbruik?
Beslissing
De Vlabel oordeelt dat de anti-misbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet moet worden toegepast. De schenking zal plaatsvinden meer dan vijf jaar na de inbreng (van 2019 tot 2025). De schenking volgt derhalve niet onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne op de inbreng. Op het moment van de inbreng hadden de echtgenoten niet de intentie om het onroerend goed te schenken. Zij wilden de langstlevende op afdoende wijze beschermen bij overlijden van de eerststervende. Zij wilden dat de langstlevende alleen zou kunnen beslissen over deze onroerende goederen. Dit kan in dit geval enkel met gemeenschappelijke goederen én een keuzemogelijkheid van toebedeling van de geheelheid volle eigendom aan de langstlevende. De lange tijdspanne tussen de twee rechtshandelingen en de beschermende beweegreden van de inbreng tonen aan dat de inbreng gebeurde om andere dan fiscale motieven.
Gevolg
Gelet op de feitenconstellatie en de tijdspanne tussen de inbreng en de voorgenomen schenking wordt geen fiscaal misbruik weerhouden.
VB 25102: Inbreng in huwgemeenschap gevolgd door schenking – geen fiscaal misbruik
Feiten
De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Mevrouw Y bezit als eigen goed een onroerend goed dat zij heeft verkregen uit de nalatenschappen van haar beide ouders. Dit onroerend goed behoorde oorspronkelijk toe aan haar vader, die het had verkregen uit de nalatenschap van zijn oom. Bij akte wijziging huwelijkscontract in 2007 werd dit goed ingebracht in de huwelijksgemeenschap bestaande tussen haar ouders. Na het overlijden van haar beide ouders kwam dit goed in eigendom van mevrouw Y. Bij akte verleden op xx.xx.2022 heeft mevrouw Y verschillende eigen onroerende goederen, waaronder dit onroerend goed, ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen met als doel haar echtgenoot zo ruim mogelijk te beschermen naar de toekomst toe. Tevens werd een keuzeclausule met betrekking tot de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen opgenomen. Thans wensen de echtgenoten dit onroerend goed voor de helft in naakte eigendom te schenken aan hun zoon.
Vraag
Vormt de inbreng gevolgd door schenking fiscaal misbruik?
Beslissing
De Vlabel oordeelt dat de anti-misbruikbepaling niet moet worden toegepast. Tussen de inbreng (augustus 2022) en de voorgenomen schenking (2025) verstrijkt meer dan drie jaar. Dit wordt niet beschouwd als een korte tijdspanne.
Gevolg
Gelet op de feitenconstellatie en de tijdspanne tussen de inbreng en de voorgenomen schenking wordt geen fiscaal misbruik weerhouden.
In lijn met eerdere beslissingen over “korte tijdspanne”
De beslissingen VB 25090 en VB 25102 bevestigen dat een tijdspanne van meer dan drie jaar tussen de inbreng en de schenking voldoende is om niet te worden gekwalificeerd als “onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne”. Deze lijn ligt in lijn met eerdere beslissingen van de Vlabel. De Omzendbrief VLABEL/2015/1 van 16 februari 2015 spreekt immers van “onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne” zonder verdere precisering. Uit de consistente toepassing in de beslissingen blijkt dat de Vlabel voor een termijn van drie jaar of meer geen misbruik meer aanneemt, mits er niet-fiscale motieven aan de inbreng ten grondslag liggen. Voor kortere termijnen zal de beoordeling nog steeds casuïstisch gebeuren. Zowel de tijdspanne als de niet-fiscale motieven moeten worden afgewogen.
THEMA 2: KANSCONTRACTEN
VB 25083: Kanscontract effectenportefeuille en onroerend goed – geen schenkbelasting
Feiten
De heer X (58 jaar) en mevrouw Y (bijna 57 jaar) zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel. Zij wensen voorafgaand aan een wijziging van hun huwelijkscontract een aanwascontract af te sluiten. Het aanwascontract zal betrekking hebben op eigen goederen van beide echtgenoten: effectenrekeningen en beleggingsverzekeringen van de heer X (totale waarde: €1.066.878,90), effectenrekeningen en beleggingsverzekeringen van mevrouw Y (totale waarde: €1.354.377,00), en een onroerend goed waarvan de heer X de blote eigendom bezit (waarde blote eigendom: €256.200). Totale inleg heer X: €1.323.078,90. Totale inleg mevrouw Y: €1.354.377,00. Bij overlijden van een van de aanvragers zal het onverdeeld aandeel van de eerststervende van rechtswege aanwassen in volle eigendom aan de overlevende deelgenoot.
Vraag
Kwalificeert het aanwascontract als een evenwichtig kanscontract ten bezwarende titel?
Beslissing
De Vlabel oordeelt positief. Een beding van aanwas of kanscontract moet volgens Standpunt SP 17044 voldoen aan de volgende voorwaarden:
(1) Authentiek voor onroerende goederen: het aanwascontract heeft betrekking op een onroerend goed en zal in een notariële akte worden opgenomen.
(2) Ten bijzondere titel: het contract heeft betrekking op nauwkeurig omschreven vermogensbestanddelen en de goederen die er ingevolge zakelijke subrogatie in de plaats van komen. De aanvragers bezitten ook nog andere roerende goederen die niet in het contract worden betrokken. De Vlabel bevestigt dat zaakvervanging mogelijk is binnen een kanscontract. De vermogensbestanddelen die in de plaats komen zullen dezelfde regels en bestemming volgen als de oorspronkelijke vermogensbestanddelen. Het ontwerp bepaalt uitdrukkelijk dat indien zaakvervanging wordt ingeroepen, dit moet worden bevestigd bij het verwerven van het nieuwe zaakvervangende goed.
(3) Ten bezwarende titel: het bezwarende karakter wordt ondersteund door gelijkaardige leeftijd (58 en bijna 57 jaar), zelfde gezondheidstoestand (beiden in dezelfde goede gezondheidstoestand), gelijkwaardige inleg (het verschil van €31.298,10 of 2,3% ten opzichte van de inleg van mevrouw Y verstoort de gelijkwaardigheid niet), en geen tijdsbeperking (het kanscontract wordt niet beperkt in de tijd en kan slechts worden gewijzigd of opgeheven met wederzijds akkoord).
Gezien het aanwascontract kwalificeert als een kanscontract ten bezwarende titel, sluiten de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF en 2.7.1.0.5 VCF de taxatie in de erfbelasting uit. Ook de artikelen 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF (schenkbelasting) zijn niet van toepassing. Wel zal bij uitwerking van het kanscontract registratiebelasting verschuldigd zijn op onroerende goederen (verkooprecht). Het aanwascontract maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. De substantiële niet-fiscale motieven (wederzijdse bescherming, animo speculandi) rechtvaardigen de gekozen structuur.
Gevolg
Bij uitwerking van het kanscontract is geen erfbelasting of schenkbelasting verschuldigd. Wel is registratiebelasting verschuldigd op onroerende goederen (verkooprecht).
THEMA 3: FAMILIALE VENNOOTSCHAPPEN
VB 25097: Voorafgaande herstructurering – schenking gunstregime familiale vennootschap – geen fiscaal misbruik
Feiten
Een complexe herstructurering waarbij mevrouw X voornemens is de helft van haar aandelen in BV D te schenken aan haar twee kinderen, A en B, met toepassing van het gunstregime voor familiale vennootschappen (artikel 2.8.6.0.3 VCF). BV D fungeert als family office en actieve holdingvennootschap. Zij levert een breed pakket aan diensten aan de groepsvennootschappen (algemeen, financieel en operationeel beheer, fiscale, juridische en administratieve diensten). BV D beschikt over een kantoor en een achttal werknemers. De Vlabel bevestigde eerder al meermaals (attestaanvragen in 2019, 2022 en 2024) dat BV D kwalificeert als actieve familiale vennootschap.
Zowel voorafgaand aan de schenking als erna zal er een herstructurering plaatsvinden. Voorafgaande herstructurering (6 stappen): (1) decertificeren aandelen BV D, (2) verletteren van aandelen BV D van X, (3) creëren van twee “takken” (Y enerzijds en andere familieleden anderzijds), (4) inbreng van aandelen BV D in NewCo BV, (5) inbreng aandelen NewCo BV in BV E en BV B, (6) inkoop door NewCo BV van belangen BV E en BV B. Herstructurering na de schenking: binnen de drie jaren na de schenking zullen A, B en X de aan hen toebehorende aandelen van BV D inbrengen in hun persoonlijke holdingvennootschappen (respectievelijk BV A, BV B en BV X).
Vraag
Kwalificeert BV D als familiale vennootschap? Vormt de voorafgaande herstructurering fiscaal misbruik? Hoe worden de parameters van de reële economische activiteit beoordeeld (in hoofde van welke vennootschap, op basis van welke jaarrekeningen)?
Beslissing
Het besluitvormingsorgaan kan zich niet uitspreken over de kwalificatie als familiale vennootschap (dit vereist onderzoek van bewijsmiddelen). Wel oordeelt het dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken.
De aanvrager vraagt bevestiging dat de beoordeling van de parameters van de reële economische activiteit (artikel 2.8.6.0.3, §2, 2° VCF) enkel zal gebeuren in hoofde van BV D op basis van de drie laatste afzonderlijke jaarrekeningen van BV D, en dus niet in hoofde van de vennootschappen BV E, BV A of BV B noch op grond van een geconsolideerde jaarrekening. De Vlabel bevestigt dit. De voorafgaande herstructurering heeft louter betrekking op het aandeelhouderschap van BV D via diverse inbrengen, inkopen en overdrachten van aandelen. BV D blijft haar handelsactiviteit als actieve holdingvennootschap verder uitoefenen. Er is geen sprake van een fusie of splitsing. De passage op bladzijde 32 van de Omzendbrief 2015/2 die voorschrijft dat de beoordeling zal worden gemaakt op basis van de afzonderlijke jaarrekeningen van alle bij de reorganisatie betrokken vennootschappen viseert uitsluitend de situatie van een fusie of een splitsing.
Ook na de schenking, wanneer de aandelen worden ingebracht in de persoonlijke holdingvennootschappen, zullen de voorwaarden tot behoud (artikel 2.8.6.0.6 VCF) enkel worden beoordeeld in hoofde van BV D op grond van de afzonderlijke jaarrekening van BV D. Deze voorwaarden tot behoud leggen geen voorwaarde op omtrent aandeelhouderschap. De Omzendbrief 2015/2 bevestigt dit op bladzijde 36: “Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur van de geschonken of vererfde familiale vennootschap heeft op zich geen invloed op de beoordeling van de voorwaarden tot behoud van het gunstregime.” Dit ligt in lijn met de Memorie van Toelichting: “De aandelen van de onderneming dienen geen 3 jaar aangehouden te worden, doch de activiteit dient behouden te blijven.” Het is essentieel dat activiteiten in de vennootschap voor een bepaalde termijn worden verdergezet. Wie de aandeelhouders zijn, doet er niet toe.
De voorgenomen verrichtingen zijn ingegeven door zowel familiale als bedrijfseconomische motieven. Familiale motieven: naar aanleiding van de echtscheiding van X en Y is het gewenst dat de zakelijke belangen van X en Y zo veel mogelijk gescheiden worden, X is voornemens de helft van haar aandelen te schenken aan de kinderen terwijl Y op heden nog niets wenst over te dragen, de persoonlijke holdingvennootschappen laten de familieleden toe om autonoom te beslissen over de aanwending van fondsen zonder volledig afhankelijk te zijn van de visie van de andere aandeelhouders, en de structuur wordt voorbereid op toekomstige generationele opvolging. Bedrijfseconomische motieven: verschil in visie op vlak van strategie en beleid tussen Y enerzijds en de andere familieleden anderzijds, Y wenst enkele persoonlijke investeringen op lange termijn aan te houden zonder inspraak van de andere familieleden, en X, B en A beogen een persoonlijk investeringsbeleid te kunnen voeren met bestendiging van het familiaal karakter van BV D.
Gevolg
De voorgenomen verrichtingen maken geen fiscaal misbruik uit. De beoordeling van de parameters van de reële economische activiteit gebeurt enkel in hoofde van BV D op basis van de drie laatste afzonderlijke jaarrekeningen van BV D. Ook de voorwaarden tot behoud worden enkel in hoofde van BV D beoordeeld.
THEMA 4: VARIA
VB 25077: Vrijstelling erfbelasting gezinswoning gevolgd door verkoop – geen fiscaal misbruik
Feiten
De aanvrager is de langstlevende partner die de gezinswoning heeft verkregen met toepassing van de vrijstelling van erfbelasting voorzien in artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF. Binnen de twee jaar na het overlijden van de erflater wenst de aanvrager (samen met de erfgenamen) het onroerend goed te verkopen. De eigendomssituatie is onverdeeld met andere erfgenamen. Er kon tot op heden geen overeenkomst bereikt worden met de resterende erfgenamen met betrekking tot het behoud, de overname of verdeling van de gezinswoning. Om verdere juridische conflicten te vermijden, wordt de verkoop van de woning overwogen.
Vraag
Vormt de voorgenomen verkoop fiscaal misbruik, waardoor de vrijstelling verloren zou gaan?
Beslissing
De Vlabel oordeelt dat er geen sprake is van fiscaal misbruik. De voorwaarden voor de vrijstelling van erfbelasting voor de verkrijging van de gezinswoning door de langstlevende partner zijn vastgelegd in artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF. Deze voorwaarden worden beoordeeld op het moment van overlijden van de erflater. De niet-vervreemding of het behoud van de gezinswoning ná het overlijden van de erflater behoort niet tot de voorwaarden voor de vrijstelling. De langstlevende partner die deze gezinswoning vervreemdt na het overlijden van de erflater, plaatst zich door de voorgenomen verrichting bijgevolg niet kunstmatig binnen het toepassingsgebied van artikel 2.7.4.1.1, §2 VCF.
Gevolg
Deze voorgenomen vervreemding vormt geen schending van artikel 2.7.4.1.1, §2, derde lid VCF, noch rechtstreeks noch via de toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF. De vrijstelling blijft behouden.
VB 25089: Afstand van onverdeelde delen gevolgd door inbreng in huwgemeenschap – geen fiscaal misbruik
Feiten
De heer X bezit 1/8 in volle eigendom van een onroerend goed. De overige onverdeelde parten behoren toe aan zijn vader (vruchtgebruik) en zijn drie zussen (naakte eigendom). De voorgenomen verrichtingen: (1) de vader doet zuiver en eenvoudig afstand van zijn vruchtgebruik, (2) de heer X neemt de onverdeelde parten over van de deelgenoten, waardoor de onverdeeldheid ophoudt en hij volle eigenaar wordt, (3) de heer X brengt het onroerend goed in de huwgemeenschap. De kredietinstelling die de overname financiert, vereist dat de echtgenote van de heer X voor minstens 25% mee-eigenares is van het goed. Daartoe brengt de heer X het goed in de huwgemeenschap. De beslissing tot inbreng ligt volledig bij de heer X, waarbij zijn echtgenote geen expliciet vragende partij is.
Vraag
Vormt het geheel van verrichtingen fiscaal misbruik?
Beslissing
De Vlabel oordeelt dat er geen sprake is van fiscaal misbruik. Door de inbreng van het onroerend goed in de huwgemeenschap door de heer X, korte tijd volgend op de overname, zal mevrouw A niet beschouwd worden als een derde-verkrijger. Hierdoor wordt de toepassing van artikel 2.9.1.0.1 VCF en artikel 2.9.1.0.7 VCF gefrustreerd. Door de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen wordt op kunstmatige wijze een fiscaal voordeel bekomen. Gelet op de korte tijdspanne tussen de overname en de inbreng wordt een eenheid van opzet aangetoond en kan hieruit een fiscaal motief worden afgeleid. De aanvragers brengen als niet-fiscaal motief aan dat voor het bekomen van een hypothecair krediet ter financiering van de overname de bank vereist dat beide echtgenoten samen eigenaar zijn van het goed (de echtgenote voor minstens 25%).
Gevolg
Gelet op dit niet-fiscaal motief en gelet het gewenste einddoel om de woning in gezamenlijk bezit te gebruiken als gezinswoning na verbouwing, maken de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF. Deze beslissing bevestigt dat externe vereisten (zoals bankeisen) als valabele niet-fiscale motieven kunnen worden beschouwd, zelfs wanneer de structuur op het eerste zicht fiscaal voordelig is.
June, 9 januari 2026