De maand maart 2026 bracht vier vonnissen van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, alle gepubliceerd op 25 maart 2026 op de website van de Vlabel. De vonnissen behandelen uiteenlopende onderwerpen:
- ambtshalve ontheffing wegens nieuwe feiten,
- waardering van aandelen van een passieve holding,
- niet-registratie van een schenking wegens ontbreken van de fiscale woonplaats,
- en de bindende kracht van een experten-schatting.
24/1013/A — Ambtshalve ontheffing — nieuwe bescheiden of feiten — dubbele belasting
Feiten
Erflaatster overleed op 22 juli 2020. Haar erfgenamen dienden tijdig een aangifte van nalatenschap in, waarin een levensverzekeringscontract met een afkoopwaarde van € 601.747,47 werd aangegeven. De erfgenamen gingen er daarbij van uit dat de premies met eigen middelen van erflaatster waren betaald. Pas na een vraag van de notaris aan de verzekeringsmaatschappij bleek dat de premies werden betaald vanuit het gemeenschappelijk vermogen, zodat het contract voor de helft van de afkoopwaarde had moeten worden opgenomen in de aangifte van de vooroverleden echtgenoot van erflaatster (overleden op 14 maart 2013). In opvolging van dit antwoord dienden de erfgenamen een bijvoeglijke aangifte in in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot en betaalden de bijkomende erfbelasting. Op 18 september 2023 dienden zij een verzoek tot ambtshalve ontheffing in voor de nalatenschap van erflaatster, in de mate dat de uitkering reeds in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot aan erfbelasting was onderworpen.
Vlabel beschouwde het schrijven ook als een bezwaarschrift, maar verklaarde het bezwaar onontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Het verzoek tot ambtshalve ontheffing werd afgewezen wegens het ontbreken van een materiële vergissing en van nieuwe feiten ingegeven door gewettigde redenen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank verklaart de vordering ontvankelijk. Het verzoek tot ambtshalve ontheffing werd tijdig ingediend binnen de vijfjaarstermijn van artikel 3.6.0.0.1 VCF, zodat de vordering in rechte ontvankelijk is. Het feit dat Vlabel het schrijven ook als bezwaar kwalificeerde en het bezwaar onontvankelijk verklaarde, doet geen afbreuk aan de ontvankelijkheid van de ambtshalve ontheffing.
Ten gronde oordeelt de rechtbank dat er geen materiële vergissing voorligt. De erfgenamen beschikten over de gegevens van de polis vóór het indienen van de aangifte. De datum van de overeenkomst (1 juni 2012) stond duidelijk vermeld, zodat de erfgenamen konden weten dat de polis tijdens het huwelijk was aangegaan. De keuze om de polis als eigen vermogen aan te geven was geen vergissing maar een welbewuste keuze.
Wel is er sprake van een nieuw feit dat een ambtshalve ontheffing rechtvaardigt. Dat nieuwe feit is de bijvoeglijke aangifte in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot op 9 maart 2022, die nodig was ingevolge het standpunt van Vlabel zoals verwoord in een e-mailbericht van 30 maart 2022. Dit feit kon niet worden ingeroepen binnen de bezwaartermijn (die eindigde op 13 april 2021), en het laattijdig inroepen ervan wordt verantwoord door gewettigde redenen.
Gevolg
De bestreden aanslagen worden ontheven in de mate dat de uitkering uit het levensverzekeringscontract in de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot aan erfbelasting werd onderworpen (meer bepaald voor de helft van € 579.381,22).
24/564/A — Waardering aandelen passieve holding in actieve dochter
Feiten
Erflater EM overleed op 29 augustus 2022, gehuwd onder het wettelijk stelsel met een huwelijksovereenkomst, en liet drie kinderen na. De belastingplichtige (zijn echtgenote) verkreeg de volle eigendom van de huwgemeenschap en het vruchtgebruik op de eigen goederen van de erflater. In de aangifte van nalatenschap werd toepassing gemaakt van het verlaagd tarief voor familiale vennootschappen voor 2.000/6.000 aandelen van BV V G., een vennootschap die zelf geen nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit uitoefent, maar een deelneming van 99,96% bezit in NV A, een vennootschap die wel een actieve exploitatie voert. De waarde van de 2.000 aandelen werd door de belastingplichtige aangegeven voor € 347.542,36, het aandeel in NV A voor € 42,74.
Vlabel paste het verlaagd tarief slechts toe op het gedeelte van de waarde dat overeenstemt met de deelneming in de actieve dochter, met name 20,49% in plaats van op de volledige waarde.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank herinnert eraan dat holdings zonder handelsactiviteit zelf niet rechtstreeks kunnen kwalificeren als familiale vennootschap in de zin van artikel 2.7.4.2.2 VCF. Zij kunnen daarmee wel worden gelijkgesteld indien zij een kwalificerende deelneming hebben in een directe dochtervennootschap die wel als familiale vennootschap kwalificeert. In dat geval geldt het verlaagd tarief overeenkomstig artikel 2.7.4.2.2, §3 VCF slechts proportioneel, namelijk ten belope van de waarde van de aandelen van de holding in de directe actieve dochter.
De belastingplichtige betwist niet de toepassing van het pro rata als dusdanig, maar voert aan dat de waarde van zowel de holding als de dochter onjuist werd aangegeven. De waarde van NV A zou volgens haar € 474,18 per aandeel bedragen in plaats van de aangegeven € 42,74, en de waarde van BV V G. zou € 604.653,98 moeten zijn in plaats van € 347.542,36.
De rechtbank verwerpt deze stelling. Belastingplichtige is niet overgegaan tot enige wijziging van de aangifte en roept de foutieve waardering pas voor het eerst op in haar bezwaarschrift. De aanslag is integraal gebaseerd op hetgeen belastingplichtige zelf in de aangifte heeft opgenomen. De door haar vooropgestelde waarderingstechnieken acht de rechtbank niet geloofwaardig. Er wordt geen rekening gehouden met de verzekeringsportefeuille van NV A (geschat op € 2.392.500), en ook voor de deelneming van NV A in haar dochter EC T wordt geen enkel bewijsstuk voorgelegd. Bij gebrek aan een onderbouwde waarderingstechniek faalt belastingplichtige in haar bewijslast. Van een materiële vergissing die een ambtshalve ontheffing zou kunnen verantwoorden (artikel 3.6.0.0.1 VCF) is geen sprake.
Gevolg
De vordering tot ontheffing is ongegrond. De aanslag blijft behouden.
23/2040/A — Niet-registratie van schenking door ontbreken vermelding fiscale woonplaats
Feiten
De heer JS deed op 23 en 25 maart 2023 een bankgift van € 190.000 aan zijn zus (belastingplichtige). De zus bood de documenten ter registratie aan via MyMinfin op 20 juli 2023, maar de registratie werd geweigerd omdat het document geen vermelding van de fiscale woonplaats van de schenker bevatte. Een tweede aanbieding per aangetekende zending leidde tot dezelfde weigering. Een derde aanbieding na het overlijden van de schenker (25 juli 2023) werd geweigerd wegens het overlijden. Doordat de schenking niet geregistreerd raakte vóór het overlijden en binnen de driejaarstermijn viel, werd geen schenkbelasting (7%, € 13.300) geheven, maar wel erfbelasting (€ 90.000). De belastingplichtige vorderde schadevergoeding van € 76.700 van de Belgische Staat (FOD Financiën) wegens beweerde foutieve weigering van registratie.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de weigering tot registratie geen fout uitmaakt. De fiscale woonplaats van de schenker is een essentieel gegeven om te bepalen aan welk gewest de heffing van de schenkbelasting toekomt. Het federale kantoor Rechtszekerheid had op grond van artikel 168, eerste lid W.Reg. het recht om de registratie te weigeren, en de belastingplichtige werd de mogelijkheid geboden om de akte gecorrigeerd opnieuw aan te bieden.
Gevolg
De vordering van de belastingplichtige is ongegrond.
24/943/A — Experten-schatting niet-bindend voor VLABEL
Feiten
Erflater overleed op 19 oktober 2020. Een woning werd aangegeven voor € 187.500, op basis van een schattingsverslag van een erkend schatter-expert van 9 april 2021. In februari 2021 was de woning echter reeds te koop aangeboden voor € 299.000, en op 31 augustus 2021 werd ze effectief verkocht voor die prijs. Vlabel voerde een controleschatting uit en bepaalde de waarde op datum van overlijden op € 282.000, met een meerwaarde van € 94.500 tot gevolg en een bijkomende erfbelasting van € 25.987,50 per belastingplichtige. Vlabel beschouwde het schattingsverslag van de schatter-expert als niet-bindend wegens vormgebreken en ontoereikende motivering.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank bevestigt dat een schattingsverslag van een erkend schatter-expert niet automatisch bindend is voor VLABEL. Overeenkomstig artikel 3.3.1.0.9/1 VCF is een schatting slechts bindend wanneer het verslag deugdelijk gemotiveerd is en voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. In dit geval vertoonde het verslag vormgebreken (ontbreken van de verplichte clausule en van elementen over voorzieningen, onroerend erfgoed en voorkooprecht) en was het niet deugdelijk gemotiveerd: de drie vergelijkingspunten waren niet representatief, de invloed van bodemsaneringskosten was tegenstrijdig toegelicht, en de vraagprijs van € 299.000 (die vier maanden later ook effectief werd betaald) werd niet vermeld of toegelicht. De vraagprijs was een relevant element voor de normale verkoopwaarde op datum van overlijden. VLABEL heeft met haar eigen schattingsverslag (met meer vergelijkingspunten en een diepgaandere motivering) afdoende bewezen dat de waarde hoger was.
Gevolg
De rechtbank aanvaardt een normale verkoopwaarde op datum van overlijden van € 282.000. Dit bedrag stemt overeen met de door Vlabel uitgevoerde controleschatting, waarbij rekening werd gehouden met een verkaveling in twee bouwgronden, afbraak- en verkavelingskosten, en een minwaarde van 5% wegens risicogrond. Vlabel gebruikte daarvoor beduidend meer vergelijkingspunten dan de schatter-expert van de belastingplichtigen, en ging dieper in op mobiliteits- en omgevingsfactoren.
De oorspronkelijk aangegeven waarde bedroeg € 187.500, wat leidt tot een meerwaarde van € 94.500 en een bijkomende erfbelasting van € 25.987,50 per belastingplichtige. De rechtbank oordeelt dat de aanstelling van een gerechtsdeskundige niet opportuun is, aangezien Vlabel met haar eigen schattingsverslag voldoende objectieve elementen heeft aangebracht om de waarde correct te bepalen. De vordering van de belastingplichtigen is ongegrond.
June, 16 juni 2026.