In de maand april 2026 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst drie voorafgaande beslissingen en één bijgewerkt administratief standpunt op het vlak van successieplanning.
VB 26006: Inbreng onroerend goed in vennootschap gevolgd door schenking van de aandelen via beding ten behoeve van een derde: fiscaal misbruik
Feiten
De echtgenoten X (°1943) en Y (°1948), woonachtig in het Vlaamse gewest, wensen hun vermogen over te dragen aan hun twee dochters en twee kleinkinderen. Zij hadden reeds al hun aandelen in de besloten vennootschap E geschonken aan hun (klein)kinderen, die deze vervolgens inbrachten in de maatschap F. De maatschap F is de enige aandeelhouder van de vennootschap E. De aanvragers wensen nu een bedrijfsvastgoed, met een geschatte waarde van 2.340.000,00 EUR, in te brengen in de vennootschap E. Daarbij maken zij gebruik van de techniek van de inbreng ten behoeve van een derde: de aandelen die als tegenprestatie voor de inbreng worden uitgegeven, komen rechtstreeks toe aan de maatschap F en dus onrechtstreeks aan de (klein)kinderen.
Vraag
Is de inbreng vrij van verkooprecht overeenkomstig artikel 2.9.1.0.3 VCF? Zijn de schenkingen onderworpen aan het vlakke tarief van 3% voor roerende goederen (artikel 2.8.4.1.1, §2, 1° VCF) en niet aan het progressieve tarief voor onroerende goederen (artikel 2.8.4.1.1, §1 VCF)? Maakt de verrichting fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?
Beslissing
De Vlabel oordeelt dat de verrichting fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2, tweede lid VCF. De inbreng van het onroerend goed gepaard met de schenking van de in ruil verkregen aandelen via een beding ten behoeve van een derde gaat in tegen de progressiviteit van de schenkbelasting, zoals vervat in artikel 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF. Door het onroerend goed in te brengen en de aandelen onrechtstreeks te schenken, genieten de begiftigden het gunstige vlakke tarief van 3% voor roerende goederen in plaats van het progressieve tarief voor onroerende goederen. Dat levert een aanzienlijke besparing op.
Doorslaggevend is dat het onroerend goed niet dienstig was voor de bedrijfsactiviteit van de vennootschap. Het goed wordt gebruikt voor de uitbating van een activiteit door derden, en de loutere coördinatie van de verhuur door de vennootschap toont niet aan dat het goed vereist is voor haar activiteit. Het is volgens Vlabel niet de bedoeling van de inbrengers om het onroerend goed aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) te onderwerpen, maar wel om een overdracht aan de (klein)kinderen te realiseren. De aangevoerde niet-fiscale motieven — het familiaal vermogen laten renderen, het beheer toevertrouwen aan de meest adequate personen, de familiebelangen en vennootschapsbelangen gescheiden houden, en de investeringslast bij de volgende generatie leggen — wegen niet op tegen de fiscale motieven. De wens om de investeringen door de volgende generatie te laten dragen vereist immers niet dat het onroerend goed in de vennootschap wordt ingebracht en de aandelen via een beding ten behoeve van een derde worden geschonken.
Gevolg
De verrichting wordt als fiscaal misbruik aangemerkt. De beslissing heeft enkel betrekking op de schenkbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
VB 25136: Toevoeging optioneel eenzijdig toekenningsbeding voor eigen goederen in het wettelijk stelsel: geen erfbelasting, geen fiscaal misbruik
Feiten
De echtgenoten X en Y (beiden °1991), gehuwd in 2019 onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract, hebben drie zeer jonge kinderen (°2020, °2022 en °2024). Het eigen vermogen van de heer X bestaat uit een aanzienlijk ondernemings- en investeringsvermogen, met name vennootschapsaandelen, liquide middelen en beleggingen. De echtgenoten wensen aan hun huwelijksstelsel een optioneel eenzijdig toekenningsbeding toe te voegen met betrekking tot bepaalde eigen goederen van de heer X (twee beleggingsportefeuilles en zijn participatie in een besloten vennootschap). Bij vooroverlijden van de heer X kan mevrouw Y, indien zij dat verkiest, deze goederen geheel of gedeeltelijk in volle eigendom, blote eigendom of vruchtgebruik verkrijgen.
Vraag
Geeft de uitwerking van het toekenningsbeding bij vooroverlijden van de heer X aanleiding tot erfbelasting in hoofde van mevrouw Y op grond van de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.4 of 2.7.1.0.5 VCF? Is er sprake van fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?
Beslissing
De Vlabel aanvaardt dat geen erfbelasting verschuldigd is en dat er geen fiscaal misbruik voorligt. In de mate dat het eenzijdig optioneel toekenningsbeding van eigen goederen burgerrechtelijk kwalificeert als een huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, werkt deze kwalificatie door in het fiscaal recht. De toekenning wordt dan niet behandeld als een erfrechtelijke verkrijging, maar als een verkrijging onder bezwarende titel.
Artikel 2.7.1.0.2 VCF is niet van toepassing, omdat het voordeel niet uit de nalatenschap wordt verkregen maar huwelijksvermogensrechtelijk. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF is niet van toepassing, omdat een huwelijksvoordeel geen schenking is. Artikel 2.7.1.0.4 VCF is niet van toepassing, omdat het beding geen betrekking heeft op gemeenschapsgoederen. Artikel 2.7.1.0.5 VCF is niet van toepassing, omdat een huwelijksvoordeel een overeenkomst ten bezwarende titel is en geen kosteloze beschikking. Gelet op de concrete feitenconstellatie en de aangevoerde niet-fiscale motieven — onder meer de bescherming van het eigen vermogen tegen verkrijging door de zeer jonge kinderen, de verzorging van de langstlevende en het autonomiebehoud van de heer X — maakt de verrichting geen fiscaal misbruik uit.
Het besluitvormingsorgaan benadrukt dat het zich niet uitspreekt over de burgerrechtelijke kwalificatie als huwelijksvoordeel met zakenrechtelijke werking, noch over de rechtsgeldigheid van het beding. Indien bij overlijden zou blijken dat bepaalde goederen, zoals winstuitkeringen van eigen aandelen, zich in de gemeenschap van aanwinsten bevinden, gelden daarop de gewone heffingsregels van de VCF.
Gevolg
De toevoeging van het toekenningsbeding geeft geen aanleiding tot erfbelasting. De beslissing sluit aan bij de eerdere voorafgaande beslissing nr. 23024 van 13 juni 2023. Zij heeft enkel betrekking op de erfbelasting.
VB 25144: Onrechtstreekse schenking door inbreng in een maatschap zonder uitgifte van aandelen: fiscaal misbruik voor de aandelen, niet voor de effectenportefeuille
Feiten
De echtgenoten X en Y (beiden °1964), gehuwd in 1991 onder het wettelijk stelsel, hebben drie kinderen. Zij richten samen met hun kinderen de maatschap X-Y op, waarbij de aanvragers elk één aandeel verwerven en de kinderen elk 3.333 aandelen. Vervolgens wensen de aanvragers de volle eigendom van hun aandelen in A BV en van een effectenportefeuille in te brengen in de maatschap, zonder uitgifte van nieuwe aandelen. Door deze inbreng komt de vermogensaangroei ten goede aan de bestaande vennoten in verhouding tot hun aandelenbezit, wat volgens de aanvragers een onrechtstreekse schenking van 33,33% aan elk van de kinderen uitmaakt.
Een aandeelhoudersovereenkomst (SHA) met betrekking tot A BV stelt evenwel strikte voorwaarden aan een overdracht aan afstammelingen: de heer X moet de exclusieve controle over de aandelen behouden, hij moet de enige vertegenwoordiger tegenover A BV blijven, en de overdracht moet een beding van terugkeer bevatten. Daartoe wordt via een addendum bij de statuten voorzien dat de heer X als enige bestuurder alle bevoegdheden over de aandelen A BV uitoefent en over een vetorecht inzake statutenwijzigingen beschikt.
Vraag
Worden de inbreng en de latere uitkeringen uit de maatschap onderworpen aan erfbelasting op grond van de artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.5, 2.7.1.0.6, 2.7.1.0.7 of 2.7.1.0.9 VCF? Maken de verrichtingen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF?
Beslissing
De beslissing is gemengd en volgt een verschillende redenering naargelang het gaat om de aandelen A BV of de effectenportefeuille.
Voor de effectenportefeuille aanvaardt Vlabel de verrichting. Er is geen controlevoorbehoud dat de kinderen verhindert om over hun aandeel te beschikken. Het unanimiteitsvereiste in het bestuur waarbij alle bestuurders, aanvragers én kinderen, samen moeten beslissen, is een aanvaardbare maatschapstructuur. De overdracht kwalificeert daarmee als een werkelijke en beschikbare overdracht aan de jongere generatie. Artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF vindt geen toepassing, noch rechtstreeks noch via de antimisbruikbepaling. Artikel 2.7.1.0.5 VCF blijft wel van toepassing indien een van de schenkers overlijdt binnen de termijn van vijf jaar na de onrechtstreekse schenking, tenzij het pacte adjoint voordien ter registratie wordt aangeboden. De artikelen 2.7.1.0.2, 2.7.1.0.6, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF zijn niet van toepassing.
Voor de aandelen A BV oordeelt Vlabel dat de verrichting fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF, wegens ontwijking van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF. Die fictiebepaling beoogt te vermijden dat een schenker de overdracht van roerende goederen de facto uitstelt tot zijn overlijden en zo toch het gunstige schenkingstarief geniet terwijl de begiftigde het vermogen niet onmiddellijk kan activeren. Door het quasi-totale en levenslange controlevoorbehoud in hoofde van de heer X, opgelegd door de SHA, kunnen de kinderen de aandelen A BV tijdens het leven van de heer X niet zelf beschikken of in het economisch circuit brengen. Dat is precies de situatie die artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF beoogt te verhinderen. Het controlevoorbehoud werd weliswaar opgenomen om aan de vereisten van de SHA te voldoen, maar een door de partijen zelf in het leven geroepen ongeschiktheid om werkelijk te schenken, kan niet als niet-fiscaal motief worden aanvaard.
Gevolg
Bij overlijden van de heer X wordt de inbreng van de aandelen A BV met toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF gelijkgesteld met een legaat in de zin van artikel 2.7.1.0.3, eerste lid, 3° VCF, met erfbelasting als gevolg. De inbreng van de effectenportefeuille blijft onaangetast. De beslissing bevestigt de lijn dat een gedeeld bestuur waarbij de kinderen mee moeten beslissen aanvaardbaar is, terwijl een exclusief controlevoorbehoud in hoofde van de schenker alleen dat niet is. Zij heeft enkel betrekking op de erfbelasting.
SP 21041: Vriendenerfenis bij meerdere begunstigden – overgangsregel voor oudere testamenten
Feiten
Vlabel werkte zijn standpunt over de verdeling van de vriendenerfenis (artikel 2.7.5.0.6 VCF) bij meerdere begunstigden bij. De vriendenerfenis voorziet in een vermindering van erfbelasting voor een door de erflater aangeduide persoon.
Vraag
Hoe wordt de vermindering verdeeld bij meerdere begunstigden, en welke ruimte laat een testamentaire verdelingsbepaling?
Beslissing
Als algemene regel geldt een pro rata verdeling volgens de persoonlijke nettoverkrijging in verhouding tot de gezamenlijke nettoverkrijging van alle begunstigden. Voor testamenten gedagtekend vóór 1 januari 2026 wordt een andersluidende testamentaire bepaling over de verdeling echter gevolgd, op voorwaarde dat die bepaling duidelijk is. Toegelaten verdelingswijzen zijn een breukdeel (bijvoorbeeld A voor 3/4 en B voor 1/4), een percentage (bijvoorbeeld X voor 60% en Y voor 40%) of een nominaal bedrag tot maximaal 15.000 euro (bijvoorbeeld een nicht voor 10.000 euro en een neef voor 5.000 euro). In geen enkel geval levert de vermindering een grond voor teruggave op.
Gevolg
Voor testamenten vanaf 1 januari 2026 geldt uitsluitend de pro rata verdeling volgens nettoverkrijging. Wie nog over een ouder testament met een afwijkende verdelingssleutel beschikt en die wenst te behouden, doet er goed aan na te gaan of de bepaling voldoende duidelijk is geformuleerd.
June, 17 juni 2026