Publicaties Vlabel juli 2025

Heel wat publicaties van de Vlabel in de maand juli 2025. We vatten ze hieronder samen rond verschillende thema’s.


THEMA 1: UPDATE STANDPUNTEN – DOORGEEFSCHENKING & SCHATTING ONROERNED GOED

SP 19021: Update juli 2025 – Schenking na verkrijging uit huwelijksovereenkomst

Situatie 14: Schenking van onroerend goed verkregen via huwelijksovereenkomst – Wisselwerking tussen erfbelasting en schenkbelasting

De hoofdregel: erfeniseigen versus erfenisvreemd

Een belangrijke verduidelijking betreft de fiscale behandeling van schenkingen van onroerend goed dat de langstlevende echtgenoot heeft verkregen uit de ontbonden huwelijksgemeenschap op basis van een beding in de huwelijksovereenkomst. De centrale vraag is wanneer een dergelijke schenking in aanmerking komt voor de vrijstelling van schenkbelasting onder artikel 2.8.6.0.9 VCF.

De Vlaamse Belastingdienst hanteert een duidelijk onderscheid dat volledig afhangt van de toepassing van artikel 2.7.1.0.4 VCF bij het overlijden van de eerste echtgenoot. Wanneer dit artikel werd toegepast omdat er sprake was van een overbedeling in globo, wordt het verkregen onroerend goed beschouwd als erfeniseigen. In dat geval komt een latere schenking van dit onroerend goed wél in aanmerking voor de vrijstelling van artikel 2.8.6.0.9 VCF. Het doet er niet toe of het te schenken onroerend goed behoort tot een categorie waarvoor er onderbedeling was met compensatie vanuit andere categorieën.

Daarentegen, wanneer artikel 2.7.1.0.4 VCF niet werd toegepast bij de taxatie van de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, hangt het onroerend goed niet af van de fiscale nalatenschap. Het wordt dan als erfenisvreemd beschouwd en een schenking ervan komt niet in aanmerking voor de vrijstelling.

Praktische uitwerking aan de hand van vijf scenario’s

De Vlabel illustreert deze regel met vijf gedetailleerde voorbeelden die de verschillende mogelijke situaties weergeven.

In het eerste voorbeeld krijgt een 59-jarige langstlevende het vruchtgebruik van het gehele gemeenschappelijk vermogen. Bij deze leeftijd is er sprake van onderbedeling in globo. Er is in elke vermogenscategorie (financiële activa, roerende goederen, onroerende goederen en het gehele vermogen) een onderbedeling. Artikel 2.7.1.0.4 VCF wordt niet toegepast en alle onroerende goederen zijn erfenisvreemd.

Het tweede voorbeeld toont een situatie waarbij de langstlevende niets ontvangt van de financiële activa, roerende goederen en het gehele vermogen, maar wel 6/10 volle eigendom van de onroerende goederen krijgt. Ondanks deze overbedeling in de categorie onroerende goederen, blijft er globaal gezien een onderbedeling. Ook hier worden alle onroerende goederen als erfenisvreemd gekwalificeerd.

Het derde voorbeeld betreft een jongere langstlevende van 42 jaar die eveneens het vruchtgebruik van het gehele gemeenschappelijk vermogen verkrijgt. Door de lagere leeftijd is er nu sprake van overbedeling in elke categorie. Artikel 2.7.1.0.4 VCF wordt toegepast en alle onroerende goederen worden erfeniseigen, waardoor latere schenkingen voor vrijstelling in aanmerking komen.

In het vierde voorbeeld ontvangt een 69-jarige langstlevende de volle eigendom van financiële activa en het gehele vermogen, het vruchtgebruik van onroerende goederen en de helft van de roerende goederen. Dit resulteert in een overbedeling in globo, ondanks een onderbedeling in de categorie onroerende goederen. Alle onroerende goederen worden als erfeniseigen aangemerkt.

Het vijfde en meest complexe voorbeeld betreft een situatie met vooruitmaking zonder passiefbijdrage. De langstlevende kiest verschillende fracties van elke vermogenscategorie als vooruitmaking, waarna het restant gelijk wordt verdeeld. Ook hier ontstaat een overbedeling in globo, waardoor alle onroerende goederen erfeniseigen worden.

SP 19051: Update juli 2025 – Samenloop van schattingssystemen bij onroerend goed

De nieuwe toevoeging: Experten-schattingen met niet-bindende schatting

De Vlaamse Belastingdienst heeft op 23 juli 2025 een geactualiseerde versie gepubliceerd van standpunt 19051 betreffende de samenloop tussen verschillende schattingssystemen voor onroerend goed in nalatenschappen. Dit standpunt, dat oorspronkelijk dateert van 19 augustus 2019, werd aangevuld met één significante wijziging.

De enige wijziging ten opzichte van de versie van 2019 betreft de toevoeging van een nieuwe situatie onder punt 1.1.3. De Vlabel verduidelijkt nu expliciet wat er gebeurt wanneer een belastingplichtige eerst een niet-bindende schatting indient, bijvoorbeeld een eigen waardering, maar vervolgens nog binnen de aangiftetermijn kiest voor een experten-schatting.

In deze situatie zal de Vlaamse Belastingdienst rekening houden met de later ingediende experten-schatting. De administratie beschouwt deze latere indiening als een verbetering van de eerdere aangifte. Dit biedt belastingplichtigen de flexibiliteit om hun initiële eigen schatting te herzien en alsnog te opteren voor de zekerheid van een experten-schatting, zolang dit binnen de aangiftetermijn gebeurt.

Ongewijzigde kernprincipes

Voor het overige blijven alle principes uit het oorspronkelijke standpunt van 2019 onverkort van toepassing. De hiërarchie tussen de verschillende schattingssystemen blijft intact, waarbij de aanvraag bindende schatting (ABS) steeds voorrang krijgt op andere schattingsmethoden. Ook de regels bij samenloop tussen verschillende belastingplichtigen en de bijzondere situaties zoals bezwaarprocedures en de positie van bijzondere legatarissen blijven ongewijzigd.


THEMA 2: HUWELIJKSOVEREENKOMSTEN – VERBLIJVINGS- EN TOEKENNINGSBEDINGEN

VB 25055: Wijziging huwelijksovereenkomst met verblijvings- en toekenningsbeding

De feiten

De heer X (62 jaar) en mevrouw Y (67 jaar) zijn sinds 1994 gehuwd onder scheiding van goederen. Ze hebben twee meerderjarige kinderen, waarvan met één kind de verstandhouding zeer moeilijk is.

De echtgenoten bezitten samen in onverdeeldheid hun gezinswoning en de blote eigendom van een bijgebouw. Daarnaast heeft de heer X aanzienlijke eigen goederen (beleggingen en acht onroerende goederen), terwijl mevrouw Y alleen beleggingen heeft.

Ze willen hun huwelijksovereenkomst aanpassen met twee optionele bedingen: een verblijvingsbeding voor goederen in onverdeeldheid (zoals de gezinswoning) en een toekenningsbeding voor eigen, niet-onverdeelde goederen. Beide bedingen zijn optioneel: de langstlevende moet binnen 4 maanden na overlijden expliciet kiezen. De verzorgingsgedachte en bescherming tegen mogelijke aanspraken van de kinderen zijn de hoofdmotieven. Een testament of schenking biedt niet dezelfde bescherming omdat deze eenzijdig herroepbaar zijn en niet “reserveproof” zijn.

De vraag

Kwalificeren deze bedingen als huwelijksvoordelen waardoor geen erf- of schenkbelasting verschuldigd is? Vormt deze wijziging fiscaal misbruik?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief onder voorwaarde dat de bedingen burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking.

Geen erf- of schenkbelasting: De bedingen worden fiscaal behandeld als huwelijksvoordelen ten bezwarende titel. Er is geen erfbelasting verschuldigd (art. 2.7.1.0.2 t/m 2.7.1.0.5 VCF) noch schenkbelasting (art. 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF).

Wel registratiebelasting:

  • Roerende goederen: geen belasting
  • Onroerende goederen in onverdeeldheid: verdeelrecht (2,5%) bij uitwerking verblijvingsbeding
  • Eigen onroerende goederen: verkooprecht (12%) bij uitwerking toekenningsbeding

Geen fiscaal misbruik: De substantiële niet-fiscale motieven (verzorging langstlevende, bescherming tegen kinderen, niet-eenzijdig herroepbaar karakter) rechtvaardigen de gekozen structuur.

VB 25042: Wijziging huwelijksovereenkomst – verblijvings- en toekenningsbeding (75-77 jaar)

De feiten

De heer X (75 jaar) en mevrouw Y (77 jaar) zijn sinds 1972 gehuwd onder zuivere scheiding van goederen. Ze hebben één gemeenschappelijk kind.

De echtgenoten bezitten samen enkele roerende en twee onroerende goederen in onverdeeldheid (elk voor de helft). Daarnaast heeft elk van hen ook eigen niet-onverdeelde roerende goederen.

Ze willen hun huwelijksovereenkomst aanpassen met twee optionele bedingen: een verblijvingsbeding (artikel 7) voor alle goederen in onverdeeldheid en een toekenningsbeding (artikel 8) voor eigen, niet-onverdeelde goederen. Beide bedingen zijn optioneel: de langstlevende moet binnen vier maanden na overlijden expliciet kiezen. De bedingen vervallen bij echtscheiding, feitelijke scheiding om ontwrichtingsredenen, of erfrechtelijke onwaardigheid. Er is een passiefregeling voorzien waarbij de langstlevende de schulden draagt die verband houden met de verkregen goederen.

De motieven zijn: behoud van vermogensautonomie tijdens leven, niet-eenzijdig herroepbare verzorgingsregeling voor de langstlevende, onmiddellijke zakenrechtelijke werking zonder tussenkomst erfgenamen, en ruimere bescherming dan via testament of schenking.

De vraag

Kwalificeren deze bedingen als huwelijksvoordelen waardoor geen erf- of schenkbelasting verschuldigd is? Vormt deze wijziging fiscaal misbruik?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief onder voorwaarde dat de bedingen burgerrechtelijk kwalificeren als huwelijksvoordelen met zakenrechtelijke werking.

Geen erf- of schenkbelasting: De bedingen worden fiscaal behandeld als huwelijksvoordelen ten bezwarende titel. Er is geen erfbelasting verschuldigd (art. 2.7.1.0.2 t/m 2.7.1.0.5 VCF) noch schenkbelasting (art. 2.8.1.0.1 en 2.8.4.1.1 VCF).

Wel registratiebelasting:

  • Roerende goederen: geen belasting
  • Onroerende goederen in onverdeeldheid: verdeelrecht (2,5%) bij uitwerking verblijvingsbeding
  • Eigen onroerende goederen: verkooprecht (12%) bij uitwerking toekenningsbeding

Geen fiscaal misbruik: De substantiële niet-fiscale motieven (verzorging langstlevende, niet-herroepbaar karakter, onmiddellijke zakenrechtelijke werking) rechtvaardigen de gekozen structuur.

VB 25040: Wijziging huwelijksovereenkomst – optioneel verblijvingsbeding met flexibiliteit

De feiten

De heer X (75 jaar) en mevrouw Y (73 jaar) zijn sinds 1973 gehuwd onder zuivere scheiding van goederen. Ze hebben één gemeenschappelijke zoon.

Tijdens hun huwelijk hebben ze een groot onverdeeld vermogen opgebouwd, voornamelijk bestaande uit onroerende goederen waarvan ze leven van de huurinkomsten. Dit vermogen werd opgebouwd door gezamenlijke inspanningen: de heer X heeft uitstekende kennis van de vastgoedmarkt, mevrouw Y zorgde voor administratieve opvolging van huurders en regelgeving. Het vermogen bestaat grotendeels uit huwelijkse aanwinsten.

Ze willen hun huwelijksovereenkomst aanpassen met een optioneel verblijvingsbeding voor alle goederen in onverdeeldheid. De langstlevende kan kiezen voor: integrale toepassing (alle onverdeelde goederen in volle eigendom), beperkte toepassing (bijvoorbeeld alleen vruchtgebruik van bepaalde goederen), afwijkende toewijzingssleutel (groter of kleiner breukdeel), of bij gebrek aan keuze: integrale toepassing in volle eigendom.

De motieven zijn: billijke regeling voor aanwinsten opgebouwd tijdens huwelijk, maximale reservebestendigheid (zoon kan geen inkorting vragen zolang het voordeel niet verder reikt dan de aanwinsten), onherroepbare regeling (anders dan testament), flexibiliteit voor langstlevende, en passiefregeling waarbij schulden verbonden aan goederen mee overgaan.

De vraag

Kwalificeert dit optioneel verblijvingsbeding als huwelijksvoordeel waardoor geen erfbelasting verschuldigd is? Vormt deze wijziging fiscaal misbruik?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief onder voorwaarde dat het beding burgerrechtelijk kwalificeert als huwelijksvoordeel.

Geen erfbelasting: Het beding wordt fiscaal behandeld als huwelijksvoordeel ten bezwarende titel. Er is geen erfbelasting verschuldigd op grond van: artikel 2.7.1.0.2 VCF (het is een huwelijksvermogensrechtelijke verkrijging, geen erfrechtelijke), artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (het is een niet-schenking, geen schenking onder opschortende voorwaarde), artikel 2.7.1.0.4 VCF (er bestaat geen gemeenschap tussen de echtgenoten), en artikel 2.7.1.0.5 VCF (een huwelijksvoordeel is geen kosteloze beschikking).

Geen fiscaal misbruik: De substantiële niet-fiscale motieven (billijke regeling voor aanwinsten, reservebestendigheid, onherroepbaar karakter, flexibiliteit) rechtvaardigen de gekozen structuur. De verrichting valt niet onder artikel 3.17.0.0.2 VCF.


THEMA 3: KANSCONTRACTEN EN BEDINGEN VAN AANWAS

VB 25063: Optioneel kanscontract tussen broer en zus (maatschap)

De feiten

Een broer (59 jaar) en zus (52 jaar) die wettelijk samenwonen en al lange tijd een gezamenlijk huishouden voeren, willen hun vermogensplanning regelen. Ze bezitten momenteel een effectenportefeuille in onverdeeldheid.

Hun plan bestaat uit twee stappen. Eerst brengen ze de effectenportefeuille in een nieuw op te richten Belgische maatschap, waarbij elk 1000 aandelen ontvangt. Daarna sluiten ze een optioneel kanscontract over deze aandelen.

Het kanscontract bevat enkele specifieke clausules: een vervreemdingsverbod (geen beschikking zonder wederzijds akkoord), een optioneel karakter (de langstlevende moet binnen 4 maanden na overlijden expliciet kiezen), terugwerkende kracht tot het moment van overlijden, en conventionele zaakvervanging.

De partijen voeren niet-fiscale motieven aan: behoud van levensstandaard voor de langstlevende, zekerheid (een testament is eenzijdig herroepbaar), flexibiliteit in beheer zonder samenloop met andere erfgenamen, en efficiënte uitvoerbaarheid via de maatschapsstructuur.

De vraag

Kwalificeert het voorgestelde optionele kanscontract als een contract ten bijzondere en bezwarende titel, waardoor geen schenk- of erfbelasting verschuldigd is? Vormen de oprichting van de maatschap en het daaropvolgende kanscontract fiscaal misbruik?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief. Het kanscontract wordt aanvaard als ten bijzondere titel (beperkt tot specifieke aandelen) en ten bezwarende titel. De Vlabel aanvaardt in die optiek dus het leeftijdsverschil van 7 jaar.

Er zal geen schenkbelasting verschuldigd zijn bij registratie, noch erfbelasting bij overlijden. De terugwerkende kracht tot het moment van overlijden voorkomt erfbelasting. Sinds 1 januari 2023 bepaalt artikel 5.147 BW dat opschortende voorwaarden alleen uitwerking voor de toekomst hebben, zonder terugwerkende kracht. Dit zou betekenen dat bij een optioneel kanscontract zonder terugwerkende kracht erfbelasting verschuldigd zou zijn. Door expliciet terugwerkende kracht te bedingen wordt dit vermeden.

De verrichtingen vormen geen fiscaal misbruik gezien de substantiële niet-fiscale motieven. Wel waarschuwt de Vlabel: indien de maatschap later andere goederen zou bevatten, moet telkens opnieuw beoordeeld worden of er nog sprake is van bijzondere titel.

VB 25053: Beding van aanwas effectenportefeuille

De feiten

De heer X (62 jaar) en mevrouw Y (62 jaar) zijn sinds 1990 gehuwd onder scheiding van goederen. Ze hebben twee kinderen. Het echtpaar bezit samen een effectenportefeuille in onverdeeldheid, elk voor de helft.

Ze willen een beding van aanwas sluiten over deze effectenportefeuille. Bij overlijden van de eerststervende zou diens aandeel automatisch toekomen aan de langstlevende, zonder terugwerkende kracht. Het doel is de levenskwaliteit en levensstandaard van de langstlevende te behouden en zekerheid en flexibiliteit te bieden.

Het contract bevat specifieke bepalingen: het is voor onbepaalde duur, eindigt bij echtscheiding of feitelijke scheiding van meer dan zes maanden (behalve om overmacht, gezondheid of werk), bevat een vervreemdingsverbod zonder wederzijds akkoord, en kan alleen met wederzijds akkoord worden beëindigd. De partijen verklaren zich in vrijwillige mede-eigendom te bevinden waarop artikel 3.75 BW (uitonverdeeldheidtreding) niet van toepassing is zolang het contract geldt.

De vraag

Kwalificeert dit beding van aanwas als een kanscontract ten bezwarende titel, waardoor geen schenk- of erfbelasting verschuldigd is?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief.

Het contract kwalificeert als ten bijzondere titel omdat het beperkt is tot een specifieke effectenportefeuille. Een effectenportefeuille wordt beschouwd als een feitelijke universaliteit, wat aanvaardbaar is zonder afbreuk te doen aan het vereiste van bijzondere titel.

Het contract is ten bezwarende titel omdat de kansen evenwichtig zijn: gelijkaardige levensverwachting (beiden zijn 62-63 jaar oud en verkeren in goede gezondheid) en gelijkwaardige inleg (elk bezit exact de helft van de effectenportefeuille).

Zaakvervanging wordt aanvaard: het contract krijgt uitwerking op de effectenportefeuille zoals samengesteld bij overlijden, ongeacht wijzigingen door wederbelegging.

Er zal geen erfbelasting noch schenkbelasting verschuldigd zijn. Het beding van aanwas wordt fiscaal volledig erkend als kanscontract ten bezwarende titel.

VB 25054: Kanscontract aandelen vennootschap

De feiten

De heer X (57 jaar) en mevrouw Y (53 jaar, bijna 54) zijn sinds 1996 gehuwd onder scheiding van goederen. Ze hebben twee gemeenschappelijke kinderen. Beiden bezitten elk 93 aandelen in de besloten vennootschap “Z”.

Het echtpaar wil een kanscontract sluiten waarbij bij overlijden van de eerststervende diens 93 aandelen automatisch toekomen aan de langstlevende, zonder terugwerkende kracht. Het contract bevat een strikt vervreemdingsverbod zonder wederzijds akkoord, alle beheers- en beschikkingsbeslissingen moeten gezamenlijk genomen worden, en wederzijdse volmachten zijn uitgesloten.

Het contract heeft onbepaalde duur en bevat een ontbindende voorwaarde: het eindigt bij echtscheiding of feitelijke scheiding van meer dan zes maanden (tenzij door opname in verzorgingsinstelling). Zaakvervanging is voorzien voor goederen die in de plaats komen van de aandelen.

De motieven zijn wederzijdse bescherming zonder mogelijke inmenging van kinderen of andere erfgenamen, behoud van levenskwaliteit voor de langstlevende, en maximale flexibiliteit. Een testament of schenking biedt niet dezelfde zekerheid omdat deze herroepbaar zijn en niet “reserveproof”.

De vraag

Kwalificeert dit kanscontract als een contract ten bezwarende en bijzondere titel, waardoor geen schenk- of erfbelasting verschuldigd is? Vormt deze verrichting fiscaal misbruik?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief.

Het contract kwalificeert als ten bijzondere titel omdat het beperkt is tot specifiek omschreven aandelen en niet de algemeenheid van goederen betreft.

Het contract is ten bezwarende titel omdat de kansen evenwichtig zijn: gelijkaardige levensverwachting (leeftijdsverschil van 3 jaar en 6 maanden wordt aanvaard, beiden in goede gezondheid) en gelijkwaardige inleg (elk bezit exact 93 aandelen).

Het strikt vervreemdingsverbod, het verbod op wederzijdse volmachten, en de onbepaalde duur versterken het bezwarend karakter. Zaakvervanging wordt aanvaard conform artikel 3.10 BW.

Er zal geen erfbelasting noch schenkbelasting verschuldigd zijn. De verrichting vormt geen fiscaal misbruik gezien de substantiële niet-fiscale motieven. De ontbindende voorwaarde bij echtscheiding of feitelijke scheiding doet geen afbreuk aan de geldigheid van het kanscontract.


THEMA 4: MAATSCHAPPEN EN ONRECHTSTREEKSE SCHENKINGEN

VB 25036: Oprichting maatschap met onrechtstreekse schenking

De feiten

Mevrouw Y en haar echtgenoot de heer X willen samen met hun twee kinderen een Belgische maatschap D oprichten. Bij oprichting brengen de ouders elk €100 in (elk 1 aandeel categorie A), de kinderen elk €4.900 (elk 49 aandelen categorie B).

De aandelen categorie A geven exclusief recht op (een deel van) de jaarlijks uitgekeerde winst van het boekjaar. De aandelen categorie B hebben ook recht op (een deel van) de jaarlijkse uitgekeerde winsten. Minimaal 25% van de winst moet gereserveerd worden, maximaal 75% kan uitgekeerd worden. Op gereserveerde winsten hebben alle vennoten recht pro rata hun aandelenbezit.

Na de oprichting zal mevrouw Y 4.044 aandelen van vennootschap C inbrengen in de maatschap zonder uitgifte van nieuwe aandelen. Dit vormt een onrechtstreekse schenking van 49% aan elk kind en 1% aan haar echtgenoot. Er wordt een intentiebrief opgesteld vooraf en een pacte adjoint met modaliteiten (conventioneel beding van terugkeer, uitsluitingsclausule, zaakvervanging) achteraf.

Het beheer: de ouders zijn statutaire zaakvoerders, de kinderen gewone zaakvoerders. Beslissingen bij gewone meerderheid, maar belangrijke beslissingen (hypotheek, liquidatie, overdracht aandelen) vereisen unanimiteit.

De vraag

Zal deze onrechtstreekse schenking via inbreng zonder creatie van nieuwe aandelen aan erfbelasting onderworpen zijn? Is de winstreservatie door de maatschap belastbaar? Vormt dit fiscaal misbruik?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief onder voorwaarde dat de verrichting burgerrechtelijk kwalificeert als onrechtstreekse schenking.

Geen erfbelasting op de schenking:

  • Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF is niet van toepassing: er is geen opschortende voorwaarde tot overlijden
  • Artikel 2.7.1.0.7 VCF is niet van toepassing: geen gesplitste inschrijving in vruchtgebruik/blote eigendom
  • Artikel 2.7.1.0.9 VCF is niet van toepassing: het betreft een schenking, geen overdracht onder bezwarende titel

Winstreservatie: Standpunt 20067 is hier niet van toepassing omdat er geen gesplitste inschrijving is. De aandelen zijn in volle eigendom van de vennoten. De winstreservatie vormt dus geen onrechtstreekse schenking belastbaar onder artikel 2.7.1.0.5 VCF.

Geen fiscaal misbruik: De verrichting valt niet onder artikel 3.17.0.0.2 VCF. Er is geen uitstel van eigendomsoverdracht, de kinderen en echtgenoot hebben onmiddellijk volledige eigendom van de onrechtstreeks geschonken aandelen.


THEMA 5: ONROEREND GOED TRANSACTIES

VB 25051: Inbreng huwgemeenschap en overname onroerend goed

De feiten

De heer X en mevrouw Y zouden begin 2025 trouwen onder het wettelijk stelsel. De heer X bezit momenteel samen met zijn twee broers elk 1/3 blote eigendom van een woonhuis. Zijn ouders hebben het vruchtgebruik. Dit onroerend goed werd in 2021 door de familie aangekocht.

Het toekomstige echtpaar wil het huis als gezinswoning gebruiken. De ouders van X willen hen hiervoor een onderhandse lening verstrekken, maar stellen als voorwaarde dat beide echtgenoten de lening aangaan én beiden eigenaar worden van het goed.

Om aan deze voorwaarden te voldoen, plannen ze drie opeenvolgende stappen:

  • X brengt zijn 1/3 blote eigendom in de huwgemeenschap
  • De huwgemeenschap koopt de 2/3 blote eigendom van de broers over
  • De huwgemeenschap koopt het vruchtgebruik van de ouders af

Alle verrichtingen gebeuren gelijktijdig in één akte.

De vraag

Vormt deze opeenvolging van verrichtingen fiscaal misbruik? Door eerst de inbreng te doen, wordt mevrouw Y geen “derde” meer en is verdeelrecht (1%) van toepassing in plaats van verkooprecht op de overname van de 2/3 blote eigendom. Kunnen ze het verlaagd tarief van 2% genieten voor de afkoop van het vruchtgebruik?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief – er is geen sprake van fiscaal misbruik.

Door de inbreng van X in de huwgemeenschap wordt mevrouw Y inderdaad geen derde-verkrijger meer. Het verdeelrecht van 1% is van toepassing op de overname van de 2/3 blote eigendom.

Het verlaagd tarief van 2% kan worden toegepast op de afkoop van het vruchtgebruik, mits aan alle voorwaarden van artikel 2.9.4.2.11 VCF wordt voldaan (geen verhinderend onroerend bezit, hoofdverblijfplaats binnen 3 jaar, etc.).

De niet-fiscale motieven zijn substantieel: het gebruik als gezinswoning en de kredietvoorwaarden van de ouders die vereisen dat beiden eigenaar en kredietnemer zijn. Deze motieven rechtvaardigen de gekozen structuur. De voorgenomen verrichtingen maken geen fiscaal misbruik uit.

VB 25039: Vervreemding verhinderend onroerend bezit

De feiten

Mevrouw X en de heer Y zijn wettelijk samenwonenden met één gemeenschappelijk kind. Mevrouw X heeft nog twee kinderen uit een eerdere relatie. Ze bezitten samen een vakantieverblijf (mevrouw X: 80%, de heer Y: 20%). De heer Y werd alleen mede-eigenaar omdat de bank dit vereiste voor het krediet, maar mevrouw X betaalde alle maandelijkse afbetalingen. Dit vakantieverblijf was het ouderlijk vakantieverblijf van mevrouw X.

De heer Y bezit daarnaast een eigen woning die te koop staat. Het koppel koopt nu samen een nieuwe gezinswoning aan. De eigendomsverhouding wordt ofwel 80% voor de heer Y en 20% voor mevrouw X, ofwel 50/50 waarbij mevrouw X een schuld erkent aan de heer Y. De heer Y zou sowieso een grotere financiële bijdrage leveren in de woning uit de verkoop van zijn eigen woning.

Ze plannen eerst de nieuwe gezinswoning aan te kopen. Pas daarna, maar wel binnen twee jaar na de aankoop, zal de heer Y zijn 20%-aandeel in het vakantieverblijf ten bezwarende titel overdragen aan mevrouw X. De timing is praktisch ingegeven: tegen de uiterlijke termijn van het aankoopdossier zullen niet alle administratieve opzoekingen voor de overdracht van het vakantieverblijf voltooid zijn.

De motieven voor deze verrichtingen zijn:

  1. Rechtzetting van de situatie: de heer Y was nooit bedoeld als eigenaar van het vakantieverblijf, dit gebeurde alleen op vraag van de bank
  2. Successieplanning: mevrouw X wil dat haar drie kinderen elk gelijk 1/3 van het vakantieverblijf erven
  3. Zekerheid voor de heer Y: bij zijn meerinvestering in de nieuwe woning, althans indien men zou overgaan tot een 80/20 aankoop van de nieuwe woning (wat nog niet zeker is)

De vraag

Kan de heer Y het verlaagd tarief van 2% toepassen voor zijn aandeel in de nieuwe woning, ondanks zijn eigendom in het vakantieverblijf en zijn eigen woning? Vormt deze structuur fiscaal misbruik?

De beslissing

De Vlabel oordeelt positief.

De heer Y kan het verlaagd tarief van 2% genieten op voorwaarde dat hij binnen twee jaar na de aankoop:

  • Zijn eigen woning verkoopt
  • Zijn 20%-aandeel in het vakantieverblijf ten bezwarende titel overdraagt aan mevrouw X

De Vlabel aanvaardt dat er een causaal verband bestaat tussen de vervreemding en de nieuwe aankoop. Het was nooit de bedoeling dat de heer Y beide woningen tegelijk zou aanhouden. De overdracht aan de mede-verkrijger (mevrouw X) wordt aanvaard als geldige vervreemding voor artikel 2.9.4.2.11, §3 VCF.

De voorgenomen verrichtingen vormen geen fiscaal misbruik. De niet-fiscale motieven rechtvaardigen de gekozen structuur.

June, 28 augustus 2025.

Andere nieuwsberichten

PUBLICATIES VLABEL OKTOBER 2025

In de maand oktober 2025 publiceerde de Vlaamse Belastingdienst zes voorafgaande beslissingen die relevant zijn voor de successie- en vermogensplanning. De overgrote meerderheid betreft positieve beslissingen over huwelijksvoordelen in het stelsel van scheiding van...

read more